vrijdag 25 april 2008

Vieren (2)

Vieren is een vorm van genieten. Genieten is een vorm van vieren.
Vieren houdt in: herdenken en het goede (opnieuw) present stellen.
Wij herdenken geen (=niet alleen) bevrijding, wij vieren de bevrijding. Wij herdenken geen (=niet alleen) hemelvaart of pinksteren, wij vieren deze feiten als een feest. In het vieren reiken wij uit naar het goede in het feit zelf, trachten wij het heilzame effect ervan opnieuw te beleven, laten wij het verleden spreken in het heden. Een gemeenschap viert haar 100-jarig bestaan - herdenkt niet slechts dat zij 100 jaar geleden werd opgericht - omdat zij gelooft (en in de viering daarvan doordrongen wil raken) dat de oprichting van toen heil biedt voor nu, en dat het het waard is om dit goede door te geven. Vieren is stilstaan en tot leven roepen. Vieren is even vasthouden en weer doorgeven.
Wij vieren te weinig en herdenken te veel. Alleen datgene is het waard om te (blijven) herdenken, wat ook gelegenheid geeft tot vieren.

dinsdag 22 april 2008

Vieren (1)

De verlossing vieren
Beter is het de verlossing te vieren dan de onverlostheid te onvieren.

Aanbidding (1)

God aanbidden is de wereld in een ander licht zien.
Het is de aarde zien als kunstig werk van God.
Het is de mensen zien als geliefden door God.
Het is jezelf zien als bereikbaar voor God.

zaterdag 19 april 2008

Romeinen 7 in ander licht (3)

Waar gaat het over in R7,7-25? Het thema is: de ongenoegzaamheid van de Wet en haar krachteloosheid vanwege het vlees. Het gaat niet allereerst om een persoon die een strijd heeft. Men doet er goed aan nauwkeurig te bezien waaruit die strijd bestaat. Het is een ellendige situatie, die ontstaan is, doordat deze persoon de handen aan de Wet houdt (dat is, 'het goede dat ik wil'). Deze Wetsbetrachting, die niet meer nodig is, omdat de christen van de Wet bevrijd is, roept de zonde wakker, en daarmee de dood.
Belangrijke teksten uit de context van R7,7-25:
  • R6,11-13: gelovige is dood voor de zonde en levend voor God, en hoeft op grond daarvan de zonde niet te laten heersen in zijn lichaam. Dit staat tegenover R7,14: 'ik ben verkocht onder de zonde'.
  • R6,14-15 impliceert dat wanneer men onder de Wet is, dat men onder de heerschappij van de zonde komt te staan. Dit komt nader uit in R7,14-25: als men zich toch onder de Wet plaatst om God te dienen, komt men ook onder de heerschappij van de zonde.
  • R8,3 meldt dat de Wet krachteloos is vanwege het vlees (de zwakke menselijke natuur). De uiterste krachteloosheid van de Wet blijkt in R7. De Wet kan niet tot het goede dwingen, kan het goede zelf niet teweeg brengen. Het ‘ik’ probeert het wel, maar faalt daarin, omdat de zonde het goede tegenhoudt en ervoor in de plaats komt. Er is iets of iemand nodig die sterker is dan het ik, de Wet en de zonde. En dat is de Geest.

Belangrijke uitgangspunten:

  • R7,5 zegt: 'Want toen wij in het vlees [d.i. de machtssfeer die gode vijandig is, cf. R8,7] waren, werkten de zondige hartstochten, die door de wet geprikkeld worden, in onze leden, om voor de dood vrucht te dragen...' Is dit niet de situatie zoals die in R7,7-25 beschreven wordt?
  • R7,6 bericht: 'maar thans zijn wij van de wet ontslagen, dood voor haar, die ons gevangen hield, zodat wij dienen in de nieuwe staat des Geestes en niet in de oude staat der letter.' Is dit niet de situatie zoals voorgesteld in R8,1vv.?

Kort zicht op verloop van R7

  • [1-4] De christen vrij van de Wet dankzij zijn ‘betrokkenheid’ in de dood van Christus
  • [5-6] Tegenstelling tussen oude en nieuwe staat, onder de Wet (= in het vlees) en vrij
    van de Wet
  • [7-12] Uitwerking van de vraag: ‘Is dan de Wet zelf zonde?’ (nav vs 5) Antwoord: Nee, het is de Wet die de zonde oproept, maar het is de zonde zelf die het ‘ik’ overmeestert en doodt. Paulus maakt duidelijk onderscheid tussen Wet en zonde.
  • [13-25] Uitwerking van de vraag: ‘Is dan de goede Wet de oorzaak van de dood van het ‘ik’?’ Antwoord: Nee, het is vanwege de zwakte van het ‘ik’ en de kracht van de zonde dat er dood is gekomen. In deze passage een meer actieve rol van het ‘ik’: wenst het goede te doen (de Wet) maar dat roept de zonde op, en hiermee de dood.

Kortom, Paulus lijkt hier te willen zeggen dat de Wet geen heil (geen verlossing in enkel opzicht) brengt. Eerder in de brief had hij dat al gezegd wat betreft de rechtvaardiging. Nu blijkt uit R7 dat de Wet ook geen goede kracht is tegen de zondemacht (in tegenstelling tot een gangbare gedachte onder de Joden). Sterker nog: de Wet roept de zonde juist op. We zien iemand die zich verwoed uitstrekt tot het goede, maar daarin niet kan slagen, omdat juist dit uitstrekken tot het goede een beroep op de Wet is, en dit beroep op de Wet roept de zonde weer op. De zonde maakt gebruik van de Wet om het ik gevangen te nemen, door in zijn leden te gaan wonen. De inwonende zonde heerst nu, en voorkomt dat het willen werkelijkheid wordt. In deze ellendige situatie bekijkt het ‘ik’ zichzelf en kan niet anders concluderen dat hij er nu wel erg ellendig aan toe is (vs. 24), en vraagt zich af wie hem zou kunnen verlossen uit dit lichaam waarin de (geestelijke) dood is gaan heersen als gevolg van de macht van de zonde. Dat kan alleen maar Jezus Christus zijn, die van die heerschappij van zonde en dood verlossen kan (R8,2), en die Zijn Geest kan geven opdat de gelovige in deze nieuwe manier van dienen, die totaal anders is dan het dienen met of onder de Wet (zie 2Co3), Gode wel vruchten kan dragen (R7,4; R6,22).
De mozaïsche Wet wordt door Paulus als heilsmiddel uitgerangeerd, zowel voor de rechtvaardiging als voor de heiliging. Dat wil niet zeggen dat de Wet van God onbelangrijk is geworden (R13,8-10). Echter, als systeem, als heerschappij is zij niet meer geldig voor de gelovige. Hij moet zich richten op het wandelen door of overeenkomstig de Geest (R8; Gl5,16). Wie zo wandelt, volbrengt de wil van God (Gl 5,17-18; R8,4). Wie het 'ik' van R7,7-25 of 14-25 is? Dat is eigenlijk niet belangrijk. Het gaat allereerst om de ongenoegzaamheid van de Wet aan te duiden. De tekening van het 'ik' functioneert als een persoon die zich toch onder de Wet plaatst. De boodschap is duidelijk, ook zonder dat het 'ik' wordt geïdentificeerd als gelovige of ongelovige. Voorzichtig zou ik willen zeggen dat het over Paulus' verleden gaat, terwijl hij zich identificeert met het joodse volk.

Verder blijkt bij een nauwkeurige blik dat het het 'ik' niet te doen is om een strijd tegen de zonde, of een worsteling met de onvolmaaktheid in zichzelf. De kern van de moeite die het 'ik' heeft is een gefrustreerd worden door de zonde in de uitvoer van het goede. En het tragische is dat hij dit over zichzelf afroept! Dat het ook anders kan, is mogelijk dankzij Gods voorzieningen. Een christen is dus niet iemand die ten allen tijde het goede wil en probeert en ten allen tijde het kwade doet. Het 'ik' in R7 is wel zo iemand. Het is zelfs een wetmatigheid geworden (vs 21). Verder is het ook niet een strijd tegen de zonde of zondige aard in zichzelf, maar tegen de zondemacht, die van buiten op hem afkomt, en hem gevangenneemt (vs 23), over hem heerst en in hem is komen wonen. Dat wordt bedoeld met de inwonende zonde.

Dit alles heeft wel een aantal implicaties voor onze visie op de christen. Als Paulus in R7 niet als doel heeft zijn eigen ervaringen mee te delen om ons ermee een hart onder de riem te steken, maar de krachteloosheid van de Wet in combinatie met de dreigende overmacht van de zonde wanneer men de handen aan de Wet houdt, wil afschilderen, is het niet noodzakelijk om onszelf als 'ellendige mensen' te zien, of als 'vleselijk en verkocht onder de zonde.' Dat zijn we inderdaad, buiten Christus. Maar in Christus ingelijfd kan en mag dit niet langer over ons gezegd worden, en ook niet langer ons zelfbeeld bepalen. Dit neemt niet weg dat de gelovige nog steeds zonde kan doen, dat hij nog steeds onvolmaakt is, dat de machtssfeer van het vlees en de zonde zijn invloed wil uitoefenen zoveel mogelijk is, en dat dit soms effect heeft. Een evenwichtige heiligingsleer zal met die twee kanten hebben te rekenen.

Hiermee wil ik mijn opmerkingen over Romeinen 7 afsluiten. Reactie is van harte welkom.

Binnen bereik

'...wij zijn al in het bereik van de Geest. (...) De Geest van God staat voor Gods werkzame nabijheid... wij zijn al in het bereik van de Geest, in het alledaagse en dat wat het alledaagse te boven gaat.'

- C. van der Kooi -

maandag 14 april 2008

Woorden van Jezus

Deze teksten houden me bezig:
Johannes 14:21 Wie mijn geboden kent en zich eraan houdt, heeft mij lief. Wie mij liefheeft zal de liefde van mijn Vader en mij ontvangen, en ik zal mij aan hem bekendmaken.’ 22 Toen vroeg Judas (niet Judas Iskariot) aan Jezus: ‘Waarom zult u zich wel aan ons, maar niet aan de wereld bekendmaken, Heer?’ 23 Jezus antwoordde: ‘Wanneer iemand mij liefheeft zal hij zich houden aan wat ik zeg, mijn Vader zal hem liefhebben en mijn Vader en ik zullen bij hem komen en bij hem wonen.
  • Liefde dringt tot het doen van wat Jezus wil
  • God liefde is het antwoord op liefde tot Hem
  • God is een God van gemeenschap
  • Jezus zal zich op persoonlijke wijze openbaren aan Gods kinderen. Hij en de Vader zullen op een persoonlijke en intieme manier in contact treden met hen
  • Onder dit alles schuilt de Geest (zie context van Jh14), die de Contactmaker is tussen Jezus en zijn discipel. De Geest is de Helper en Krachtgever tot het volbrengen van Gods wil. Hij is de Bekendmaker van Jezus. Hij is de Gemeenschapsstichter tussen God en mensen. Hij is de Inwoner van God onder Zijn volk.

vrijdag 4 april 2008

Hoe vieren wij Avondmaal? Hoe leven wij met God?

Avondmaal en spiritualiteit
Ik wil graag de stelling aangaan dat aan de manier waarop wij Avondmaal vieren te zien is hoe ons leven met God is. Ons Avondmaalsgebruik weerspiegelt onze spiritualiteit.
Een Avondmaal waar weinig gevierd wordt, waar weinig blijdschap is, kan de weerspiegeling van vreugdeloze levens zijn.
Een Avondmaal waar men gebukt heengaat, waar onderdanigheid en vrees hoog staan, kan wijzen op een leven met God dat gekenmerkt wordt door ontzag, vrees, maar waar de vrijheid van de Geest in ontbreekt.
Een Avondmaal waar van tevoren vooral de waarschuwing centraal staat dat men niet zomaar mag aangaan, waar de beperking meer klinkt dan de uitnodiging, kan zomaar de weergave zijn van een zuinig Godsbeeld.
Een Avondmaal waar Jan en alleman aangaat, en waar brood en wijn lichtvaardig worden uitgereikt, zegt veel over hoe kostbaar men het heil en hoe dierbaar men het bloed van Jezus acht.
Een Avondmaal waar weinig onderlinge gemeenschap is, kan wijzen op een gemeenschapsarm gemeenteleven.
Een Avondmaal waar verzoening en vergeving boven alles centraal staan, en waar het verlangen van Gods Zoon om met ons gemeenschap te hebben en de kracht van het hemelse leven dat ons door brood en wijn wordt meegedeeld worden onderbelicht, kan wijzen op een spiritualiteit waar het vooral draait om zonde en vergeving.
Een Avondmaal waar alles ordelijk en stipt moet gaan, kan voortkomen uit de gedachte dat God allereerst een God van orde is, en dat orde en fatsoen Hem welbehaaglijk is.
Een Avondmaal waar men niet aan de ander denkt, maar wat men tot een schransmaal maakt, maakt de consumptiedrang en het egoïsme in het alledaagse leven openbaar.
Een Avondmaal dat eens in de zoveel tijd gevierd wordt, en wat daardoor des te sacraler en ‘heiliger’ wordt, kan een weerspiegeling zijn van de visie op het geestelijk leven: het heeft een aantal hoogtepunten, staat eigenlijk niet in verbinding met de regelmatige rest van het leven, en je hebt het er niet zoveel over.

Aan het Avondmaal laten wij ons Godsbeeld, onze theologie, onze gemeenteopvatting en onze spiritualiteit niet thuis. Het is er met de vingers te tasten.