donderdag 2 oktober 2008

Stellingen over heiliging

1. Het doel van onze heiliging is gelijkvormig te worden aan Jezus Christus, tot eer van God de Vader. Het doel is niet volmaakt te worden, maar om vrucht te dragen. Het doel is niet om van zonden los te komen, maar om alles wat verhindert om vruchtbaar te zijn voor God en tot Zijn eer te leven - waaronder zonden - af te leggen.
Ook diepere zondenkennis is niet een doel op zich in het christelijk leven. Meer prioriteit heeft vruchtdragen, maar ook dat is niet een doel op zich. Gods eer hoort ons doel te zijn.

2. Heiliging is zowel een status als een proces. We zijn ten enenmale geheiligd (1 Cor 6), en we worden veranderd naar het beeld van Christus.

3. De grond voor onze heiligmaking is het kruis van Golgotha en onze eenheid met Christus; de bron is de krachtgevende aanwezigheid van Jezus door de inwoning van de Heilige Geest in ons.

4. Heiliging bloeit op in de gemeenschap met Christus door de Heilige Geest.

5. God heeft voorzien en voorziet nog steeds in alles wat wij nodig hebben om godvruchtig te leven (2 Pe 1,3).

6. Het is onze verantwoordelijkheid van deze voorziening gebruik te maken. In dit proces zijn wij actief (Fil 2,12-13).

7. In de heiliging zijn we in een wezenlijk ander paradigma dan van de rechtvaardiging. Tegelijk kunnen we het kruis niet achter ons laten. Het kruis leidt naar de Geest, en de Geest naar het kruis.
Heiliging als proces komt na rechtvaardiging, maar gaat er niet aan voorbij. Het draait om de rechtvaardiging, maar het gaat om de heiliging.

8. Heiliging heeft een negatief en een positief aspect. Negatief: doden van de opkomende zonde, nee zeggen tegen verleidingen. Positief: opstaan in een nieuw leven, leven in Jezus’ opstandingskracht, aan God toegewijd zijn in gehoorzaamheid, vruchtdragen.

9. ‘Alle heil is in Christus’ en ‘het heil wordt uitgewerkt in ons leven’ staan in verhouding tot elkaar als recht en gebruikmaking van dat recht. Het houdt niet op met ‘alles is in Christus’, maar daar begint het christelijke leven pas mee. De mening dat dit onderscheid afdoet aan de voldoening van Christus (‘Christus heeft alles al gedaan, er hoeft van onze kant niets meer bij’) berust op de misvatting dat het in de heiliging zou gaan om een bijdrage van onze kant tot verwerving van de zaligheid. Goede werken blijven in dit paradigma tezeer in het kader van de verdiensten staan.

10. Omdat God een onuitputtelijke bron van goedheid is, en Hij in Zijn Zoon een volheid van weldaden heeft gelegd, is er voor ons altijd meer 'haalbaar' dan wij al hebben. Enerzijds is dit een voorrecht, anderzijds is dit ook een opdracht (evenals wanneer je stemrecht hebt, je eigenlijk ook moet stemmen). Wij hebben genoeg aan God, maar krijgen nooit genoeg van Hem. Er is dus een legitiem verlangen naar meer.
Soms komt dit meer in een ervaring van dijkdoorbraak tot ons. Deze ervaring noemen sommigen een 'tweede zegen' (second blessing). Deze ervaring hoeft niet gesystematiseerd te worden of voorgeschreven. Waarschijnlijk is hij het gevolg van verkeerd onderwijs over de goede gaven van God, zodat, wanneer de gelovige nieuwe dingen leert over God, Zijn Zoon of Zijn Geest, er ook een nieuwe 'toevoer' van genade tot hem komt. Deze genade behoorde al tot zijn bezit (Ef 1,3), maar ze wordt nu werkelijk ervaren. Niet alles wordt in één keer geleerd. Of deze ervaring is een blijk van de goedheid van God, die de kraan van zegen in één keer open zet.

woensdag 6 augustus 2008

Naar Zuid-Afrika

Voor wie het nog niet wist: in september gaan Jannet en ik voor 5 maanden naar Zuid-Afrika.
Even eruit. Visie vormen. Geestelijk verfrist worden. Andere cultuur ontdekken. Voorbereiden op een echte baan. En zo. Wij hopen er veel nieuwe dingen te leren en te ontdekken, te genieten van een heleboel moois, alle dingen op ons af laten komen. Wie op de hoogte wil blijven: http://onskuierplekkie.blogspot.com/.

zaterdag 12 juli 2008

Gemeenschap als Gods doel

5 stellingen voor een theologie van gemeenschap

1. God is een God die op gemeenschap uit is. Gods hart is gemeenschap. Hij wil met de mens samen zijn.

2. Gemeenschap en verbondenheid is daar waar personen in openheid en vertrouwen hun diepste wezen met elkaar delen.

3. Wanneer we gemeenschap als Gods hoogste doel gaan zien, vormt dat onze spiritualiteit, onze theologie en ons kerkzijn naar dat doel. Zo kan verzoening niet langer als iets zelfstandigs gezien worden, maar alleen als Gods middel tot Gods doel.

4. Gezien vanuit het perspectief van gemeenschap betekent zonde weglopen uit Gods gemeenschap, jezelf afsluiten voor contact met God. Rechtvaardiging betekent dan tot die gemeenschap hersteld worden, en heiliging is in die gemeenschap leven en daardoor getransformeerd worden.

5. Het verbond dat God met mensen sluit vormt het kader van de omgang die Hij met Zijn volk wil hebben. Verbond omsluit de gemeenschap, gemeenschap is het kloppend hart van het verbond.

zondag 22 juni 2008

Ruimte zat

Ps 118: 5 In mijn nood heb ik geroepen: ‘HEER!’
En de HEER antwoordde, hij gaf mij ruimte.


God bevrijdt mensen uit benauwdheid, uit situaties waarin ze in het nauw gedreven worden. Hij geeft hen weer lucht om te ademen. In Psalm 118 zijn het vijanden, die de ik-persoon bedreigen. Zoals in zoveel psalmen vijanden en tegenstanders het leven van de gelovige bedreigen, dreigen 'op te slokken'. In ons leven hebben die vijanden velerlei gestalten. Zorgen kunnen ons naar de keel grijpen, tegenslagen ons een klap van achteren geven. Het kunnen zelfs concreet mensen zijn die ons dingen aandoen. Dat gebeurt dagelijks overal: mensen die andere mensen de pas afsnijden, het licht in de ogen niet gunnen, anderen insluiten, ze verdrukken, hun bestaan ver weg wensen.
Niet maar voor de vrome volledigheid wil ik de vijand vanbinnen noemen. Dat komt ook in de Psalmen tot uitdrukking: mijn zonden benauwen mij, knellen het leven in mij af. Bijvoorbeeld Psalm 32.

Zojuist las ik nog dat door skinheads in Rusland dit jaar al 69 buitenlanders zijn vermoord. En wat te denken van de onlusten in Zimbabwe, die ook invloed hebben op Zuid-Afrika. In laatstgenoemd land zijn de Zimbabwaners bepaald niet welkom. Waarom ontnemen sommige mensen aan anderen de ruimte? Deze neiging zit in een kiem in ons aller hart. Het is denk ik omdat we de leugen zijn gaan geloven dat de ander een bedreiging vormt voor onze vrijheid, dat we daarom de toevlucht nemen tot harde en inhumane maatregelen. Wij ontnemen anderen de ruimte omdat we bang zijn dat ze op een bepaald moment ons de ruimte zullen ontnemen.

Gen 26,22 Daarna trok hij verder, en weer groef hij een put. Hierover ontstond geen onenigheid. Hij noemde hem Rechobot, ‘want,’ zei hij, ‘nu heeft de HEER ons ruimte gegeven in dit land en kunnen wij ons uitbreiden.’

God geeft mensen ruimte. Hij bevrijdt en redt van vijanden die de ruimte van Zijn kinderen bedreigen. Het begint al heel vroeg: bij de Schepping maakt God ruimte, een plaats om te wonen. Scheidt licht van het donker, verwijdert de chaos, schept orde. Levensruimte. En Hij roept de mens op die te vervullen. Wordt het dan niet te krap? Nee, want er is ruimte genoeg, indien de mens maar blijft letten op Gods bedoelingen.

Ps 18,20 Hij leidde mij weg uit de nood en gaf mij ruimte, bevrijdde mij, omdat hij mij liefhad.

God is een God van ruimte, die het mensen gunt om te bloeien en te groeien. Hij gunt het ons. Die ruimte is niet ver van Hem vandaan, maar eigenlijk in Hem. 'Want in hem leven wij, bewegen wij en zijn wij.' (Hand 17,28). Ons leven is in Christus te vinden. Dat is het enige voorbehoud. Maar daar is dan ook ruimte in overvloed. Vergeving en vrijheid voor zondige mensen. God bevrijdt van vijanden buiten, maar ook van de vijand vanbinnen.

Als God ruimte geeft, is dat niet een ruimte die de mens zelf uitkiest, maar die God voor hem bedacht heeft, omdat Hij weet wat goed is voor de mens. Het is gekwalificeerde ruimte. Het is op een bepaalde plaats: in Christus. Het is ook gevulde ruimte. Gevuld met de weldaden die Christus voor ons verworven heeft. En God zegt: maak maar gebruik van alles wat Ik je geef. Hij laat ons geen honger lijden, Hij knijpt ons leven niet af (Ps 103,2-5; Ps 145,15-16; Lk 15,31; Jh 10,10). De ruimte die we van Hem krijgen, staat ook niet in contrast tot de eer die Hij van ons wil. God gehoorzamen en eren en menselijke bloei sluiten elkaar niet uit.

Als vernieuwde mensen kunnen we leren de muren af te breken, muren die we ter bescherming van onszelf om ons heen hebben gezet, die ons zelf belemmeren in onze vrijheid. We krijgen ook oog voor de muren die anderen om zichzelf heenzetten, en die werkelijk contact verhinderen. We kunnen God vragen die muren te slechten. Waar mensen zichzelf en elkaar de ruimte willen geven, wordt werkelijke verbondenheid en gemeenschap een mogelijkheid. Gemeenschap is samen de ruimte delen die we van God hebben gekregen, en die we kunnen genieten in en dankzij Jezus. De Geest maakt ons los van ruimtelijke belemmeringen, en voert ons in de vrijheid van de kinderen Gods.

Tot slot: als leven met God ruimte betekent, dan is sterven een ruimtevaart. Je zou in Psalm 118 verzen kunnen vinden, die op een sterfbed jubelend zouden kunnen klinken:

Ps 118: 19 Open voor mij de poorten van de gerechtigheid,
ik wil binnengaan om de HEER te loven.
20 Dit is de poort die leidt naar de HEER,
hier gaan de rechtvaardigen binnen.
21 Ik wil u loven omdat u antwoordde en mij de overwinning gaf.

Laten we Gods ruimte opzoeken en vieren.

.

maandag 9 juni 2008

Ontdekking van de maand

Het kan anders.
.

woensdag 21 mei 2008

Interim-baan

Hoera, een baan gevonden! Weliswaar tijdelijk, tot eind augustus, maar toch. Het is een fulltime job, als administratief medewerker (lees: manus-van-alles) aan de theologische faculteit van de Katholieke Universiteit in Utrecht, op de Uithof. Elke dag van negen tot half zes klusjes doen zoals balievragen beantwoorden, post in de bakjes doen, cijferlijsten bijwerken en uitdraaien, telefoon aannemen, etc. Een wereld die ik niet ken, maar me wel leuk lijkt.

zondag 11 mei 2008

Aanbidding (2)

God aanbidden is tegen Hem terugzeggen wat Hij tegen ons over zichzelf heeft gezegd. In dezelfde woorden, of misschien een beetje anders geformuleerd. Niet terugzeggen op een formele wijze, letterknechtelijk, koud, op een wijze dat het buiten ons omgaat. Maar zo warm dat het te merken is dat het door ons heen is gegaan, dat Gods zelfgetuigenis voor een tijd in ons heeft gewoond, en in ons overdenking heeft gevonden. In verwondering, liefde, uitbarsting van vreugde misschien.
Aanbidden is aanbieden. Het is het in Gods handen leggen van de gaven waarmee Hij ons ruim overlaadt. Zijn zelfopenbaring behoort tot Zijn grotere gaven.
Illustratie: God zegt tot ons in Zijn Woord: 'Ik ben goed.' Wij horen dit aan, nemen dit in ons op, het is ons eten en drinken, en wij geven het Hem terug, wij beamen het in aanbidding: 'God, U bent goed.'

444 (3)

Enkele gedachten en emoties bij het thema vieren.

Wat mij steekt, is onze enorme schraalheid aan vormen van vieren. 'Onze' is zowel de Nederlandse context, als de kerkelijke traditie.

Wat onderscheidt een feestdag als 1e Pinksterdag van een feestdag als 1e Paasdag of Hemelvaartsdag? Ok, ander thema van de preek, maar dezelfde dienst, dezelfde aanblik, dezelfde uitstraling.

Wat onderscheidt Koninginnedag van een EK Voetbal? Dezelfde oranje massa, dezelfde platte drinkgelagen. Oud en Nieuw: idem dito. Minder oranje, de drank blijft.

Het lijkt wel alsof men hetzelfde draaiboek afdraait bij verschillende gelegenheden. Zodra er gesignaleerd is dat het 'feest' is, vindt men er gelegenheid om zich vol te drinken, of uit het dak te gaan.

Ik meen dat deze schraalheid wijst op een verlies aan diepe spiritualiteit en beschaving. Nu weet ik niet wat er eerst is: verlies van vormen en rituelen of verlies aan geestelijke rijkdom. Deze hele teloorgang wordt door mij ten zeerste betreurd.

Er is een verlies aan sociale cohesie. Verbindende vormen verliezen hun functie. Er is een problematisering van de collectieve identiteit: wat is Nederland, wie is een Nederlander? In dit proces zoekt men bewust naar wegen om verbinding te vinden, of die te creëren.

Overigens bedoel ik met beschaving geen fatsoen. Beschaving als cultuur, die de mensen zich in de loop der tijd eigen hebben gemaakt, waarin men zijn menselijkheid uitdrukt, zijn creativiteit, niet in barbaarsheid, maar in betoming van passies terwille van de medeburger, en men met elkaar het leven dragelijk en aangenaam maakt.

Waar het leven werkelijk gevierd wordt, weet men wat men viert, hoe men menswaardig viert; zoekt men zich te verbinden met het verleden door vormen uit het verleden te vullen met energie en creativiteit van het heden.

zaterdag 10 mei 2008

de visserman

Vragenderwijs

Ik vroeg het aan de vogels
de vogels waren niet thuis

ik vroeg het aan de bomen
hooghartige bomen


ik vroeg aan het water
waarom zeggen ze niets
het water gaf geen antwoord

als zelfs het water geen antwoord geeft
hoewel het zoveel tongen heeft
wat is er dan

wat is er dan
er is alleen een visserman

die draagt het water
onder zijn voeten
die draagt een boom
op zijn rug
die draagt op zijn hoofd een vogel.

G.vd.Graft (pseud. van Willem Barnard)

vrijdag 25 april 2008

Vieren (2)

Vieren is een vorm van genieten. Genieten is een vorm van vieren.
Vieren houdt in: herdenken en het goede (opnieuw) present stellen.
Wij herdenken geen (=niet alleen) bevrijding, wij vieren de bevrijding. Wij herdenken geen (=niet alleen) hemelvaart of pinksteren, wij vieren deze feiten als een feest. In het vieren reiken wij uit naar het goede in het feit zelf, trachten wij het heilzame effect ervan opnieuw te beleven, laten wij het verleden spreken in het heden. Een gemeenschap viert haar 100-jarig bestaan - herdenkt niet slechts dat zij 100 jaar geleden werd opgericht - omdat zij gelooft (en in de viering daarvan doordrongen wil raken) dat de oprichting van toen heil biedt voor nu, en dat het het waard is om dit goede door te geven. Vieren is stilstaan en tot leven roepen. Vieren is even vasthouden en weer doorgeven.
Wij vieren te weinig en herdenken te veel. Alleen datgene is het waard om te (blijven) herdenken, wat ook gelegenheid geeft tot vieren.

dinsdag 22 april 2008

Vieren (1)

De verlossing vieren
Beter is het de verlossing te vieren dan de onverlostheid te onvieren.

Aanbidding (1)

God aanbidden is de wereld in een ander licht zien.
Het is de aarde zien als kunstig werk van God.
Het is de mensen zien als geliefden door God.
Het is jezelf zien als bereikbaar voor God.

zaterdag 19 april 2008

Romeinen 7 in ander licht (3)

Waar gaat het over in R7,7-25? Het thema is: de ongenoegzaamheid van de Wet en haar krachteloosheid vanwege het vlees. Het gaat niet allereerst om een persoon die een strijd heeft. Men doet er goed aan nauwkeurig te bezien waaruit die strijd bestaat. Het is een ellendige situatie, die ontstaan is, doordat deze persoon de handen aan de Wet houdt (dat is, 'het goede dat ik wil'). Deze Wetsbetrachting, die niet meer nodig is, omdat de christen van de Wet bevrijd is, roept de zonde wakker, en daarmee de dood.
Belangrijke teksten uit de context van R7,7-25:
  • R6,11-13: gelovige is dood voor de zonde en levend voor God, en hoeft op grond daarvan de zonde niet te laten heersen in zijn lichaam. Dit staat tegenover R7,14: 'ik ben verkocht onder de zonde'.
  • R6,14-15 impliceert dat wanneer men onder de Wet is, dat men onder de heerschappij van de zonde komt te staan. Dit komt nader uit in R7,14-25: als men zich toch onder de Wet plaatst om God te dienen, komt men ook onder de heerschappij van de zonde.
  • R8,3 meldt dat de Wet krachteloos is vanwege het vlees (de zwakke menselijke natuur). De uiterste krachteloosheid van de Wet blijkt in R7. De Wet kan niet tot het goede dwingen, kan het goede zelf niet teweeg brengen. Het ‘ik’ probeert het wel, maar faalt daarin, omdat de zonde het goede tegenhoudt en ervoor in de plaats komt. Er is iets of iemand nodig die sterker is dan het ik, de Wet en de zonde. En dat is de Geest.

Belangrijke uitgangspunten:

  • R7,5 zegt: 'Want toen wij in het vlees [d.i. de machtssfeer die gode vijandig is, cf. R8,7] waren, werkten de zondige hartstochten, die door de wet geprikkeld worden, in onze leden, om voor de dood vrucht te dragen...' Is dit niet de situatie zoals die in R7,7-25 beschreven wordt?
  • R7,6 bericht: 'maar thans zijn wij van de wet ontslagen, dood voor haar, die ons gevangen hield, zodat wij dienen in de nieuwe staat des Geestes en niet in de oude staat der letter.' Is dit niet de situatie zoals voorgesteld in R8,1vv.?

Kort zicht op verloop van R7

  • [1-4] De christen vrij van de Wet dankzij zijn ‘betrokkenheid’ in de dood van Christus
  • [5-6] Tegenstelling tussen oude en nieuwe staat, onder de Wet (= in het vlees) en vrij
    van de Wet
  • [7-12] Uitwerking van de vraag: ‘Is dan de Wet zelf zonde?’ (nav vs 5) Antwoord: Nee, het is de Wet die de zonde oproept, maar het is de zonde zelf die het ‘ik’ overmeestert en doodt. Paulus maakt duidelijk onderscheid tussen Wet en zonde.
  • [13-25] Uitwerking van de vraag: ‘Is dan de goede Wet de oorzaak van de dood van het ‘ik’?’ Antwoord: Nee, het is vanwege de zwakte van het ‘ik’ en de kracht van de zonde dat er dood is gekomen. In deze passage een meer actieve rol van het ‘ik’: wenst het goede te doen (de Wet) maar dat roept de zonde op, en hiermee de dood.

Kortom, Paulus lijkt hier te willen zeggen dat de Wet geen heil (geen verlossing in enkel opzicht) brengt. Eerder in de brief had hij dat al gezegd wat betreft de rechtvaardiging. Nu blijkt uit R7 dat de Wet ook geen goede kracht is tegen de zondemacht (in tegenstelling tot een gangbare gedachte onder de Joden). Sterker nog: de Wet roept de zonde juist op. We zien iemand die zich verwoed uitstrekt tot het goede, maar daarin niet kan slagen, omdat juist dit uitstrekken tot het goede een beroep op de Wet is, en dit beroep op de Wet roept de zonde weer op. De zonde maakt gebruik van de Wet om het ik gevangen te nemen, door in zijn leden te gaan wonen. De inwonende zonde heerst nu, en voorkomt dat het willen werkelijkheid wordt. In deze ellendige situatie bekijkt het ‘ik’ zichzelf en kan niet anders concluderen dat hij er nu wel erg ellendig aan toe is (vs. 24), en vraagt zich af wie hem zou kunnen verlossen uit dit lichaam waarin de (geestelijke) dood is gaan heersen als gevolg van de macht van de zonde. Dat kan alleen maar Jezus Christus zijn, die van die heerschappij van zonde en dood verlossen kan (R8,2), en die Zijn Geest kan geven opdat de gelovige in deze nieuwe manier van dienen, die totaal anders is dan het dienen met of onder de Wet (zie 2Co3), Gode wel vruchten kan dragen (R7,4; R6,22).
De mozaïsche Wet wordt door Paulus als heilsmiddel uitgerangeerd, zowel voor de rechtvaardiging als voor de heiliging. Dat wil niet zeggen dat de Wet van God onbelangrijk is geworden (R13,8-10). Echter, als systeem, als heerschappij is zij niet meer geldig voor de gelovige. Hij moet zich richten op het wandelen door of overeenkomstig de Geest (R8; Gl5,16). Wie zo wandelt, volbrengt de wil van God (Gl 5,17-18; R8,4). Wie het 'ik' van R7,7-25 of 14-25 is? Dat is eigenlijk niet belangrijk. Het gaat allereerst om de ongenoegzaamheid van de Wet aan te duiden. De tekening van het 'ik' functioneert als een persoon die zich toch onder de Wet plaatst. De boodschap is duidelijk, ook zonder dat het 'ik' wordt geïdentificeerd als gelovige of ongelovige. Voorzichtig zou ik willen zeggen dat het over Paulus' verleden gaat, terwijl hij zich identificeert met het joodse volk.

Verder blijkt bij een nauwkeurige blik dat het het 'ik' niet te doen is om een strijd tegen de zonde, of een worsteling met de onvolmaaktheid in zichzelf. De kern van de moeite die het 'ik' heeft is een gefrustreerd worden door de zonde in de uitvoer van het goede. En het tragische is dat hij dit over zichzelf afroept! Dat het ook anders kan, is mogelijk dankzij Gods voorzieningen. Een christen is dus niet iemand die ten allen tijde het goede wil en probeert en ten allen tijde het kwade doet. Het 'ik' in R7 is wel zo iemand. Het is zelfs een wetmatigheid geworden (vs 21). Verder is het ook niet een strijd tegen de zonde of zondige aard in zichzelf, maar tegen de zondemacht, die van buiten op hem afkomt, en hem gevangenneemt (vs 23), over hem heerst en in hem is komen wonen. Dat wordt bedoeld met de inwonende zonde.

Dit alles heeft wel een aantal implicaties voor onze visie op de christen. Als Paulus in R7 niet als doel heeft zijn eigen ervaringen mee te delen om ons ermee een hart onder de riem te steken, maar de krachteloosheid van de Wet in combinatie met de dreigende overmacht van de zonde wanneer men de handen aan de Wet houdt, wil afschilderen, is het niet noodzakelijk om onszelf als 'ellendige mensen' te zien, of als 'vleselijk en verkocht onder de zonde.' Dat zijn we inderdaad, buiten Christus. Maar in Christus ingelijfd kan en mag dit niet langer over ons gezegd worden, en ook niet langer ons zelfbeeld bepalen. Dit neemt niet weg dat de gelovige nog steeds zonde kan doen, dat hij nog steeds onvolmaakt is, dat de machtssfeer van het vlees en de zonde zijn invloed wil uitoefenen zoveel mogelijk is, en dat dit soms effect heeft. Een evenwichtige heiligingsleer zal met die twee kanten hebben te rekenen.

Hiermee wil ik mijn opmerkingen over Romeinen 7 afsluiten. Reactie is van harte welkom.

Binnen bereik

'...wij zijn al in het bereik van de Geest. (...) De Geest van God staat voor Gods werkzame nabijheid... wij zijn al in het bereik van de Geest, in het alledaagse en dat wat het alledaagse te boven gaat.'

- C. van der Kooi -

maandag 14 april 2008

Woorden van Jezus

Deze teksten houden me bezig:
Johannes 14:21 Wie mijn geboden kent en zich eraan houdt, heeft mij lief. Wie mij liefheeft zal de liefde van mijn Vader en mij ontvangen, en ik zal mij aan hem bekendmaken.’ 22 Toen vroeg Judas (niet Judas Iskariot) aan Jezus: ‘Waarom zult u zich wel aan ons, maar niet aan de wereld bekendmaken, Heer?’ 23 Jezus antwoordde: ‘Wanneer iemand mij liefheeft zal hij zich houden aan wat ik zeg, mijn Vader zal hem liefhebben en mijn Vader en ik zullen bij hem komen en bij hem wonen.
  • Liefde dringt tot het doen van wat Jezus wil
  • God liefde is het antwoord op liefde tot Hem
  • God is een God van gemeenschap
  • Jezus zal zich op persoonlijke wijze openbaren aan Gods kinderen. Hij en de Vader zullen op een persoonlijke en intieme manier in contact treden met hen
  • Onder dit alles schuilt de Geest (zie context van Jh14), die de Contactmaker is tussen Jezus en zijn discipel. De Geest is de Helper en Krachtgever tot het volbrengen van Gods wil. Hij is de Bekendmaker van Jezus. Hij is de Gemeenschapsstichter tussen God en mensen. Hij is de Inwoner van God onder Zijn volk.

vrijdag 4 april 2008

Hoe vieren wij Avondmaal? Hoe leven wij met God?

Avondmaal en spiritualiteit
Ik wil graag de stelling aangaan dat aan de manier waarop wij Avondmaal vieren te zien is hoe ons leven met God is. Ons Avondmaalsgebruik weerspiegelt onze spiritualiteit.
Een Avondmaal waar weinig gevierd wordt, waar weinig blijdschap is, kan de weerspiegeling van vreugdeloze levens zijn.
Een Avondmaal waar men gebukt heengaat, waar onderdanigheid en vrees hoog staan, kan wijzen op een leven met God dat gekenmerkt wordt door ontzag, vrees, maar waar de vrijheid van de Geest in ontbreekt.
Een Avondmaal waar van tevoren vooral de waarschuwing centraal staat dat men niet zomaar mag aangaan, waar de beperking meer klinkt dan de uitnodiging, kan zomaar de weergave zijn van een zuinig Godsbeeld.
Een Avondmaal waar Jan en alleman aangaat, en waar brood en wijn lichtvaardig worden uitgereikt, zegt veel over hoe kostbaar men het heil en hoe dierbaar men het bloed van Jezus acht.
Een Avondmaal waar weinig onderlinge gemeenschap is, kan wijzen op een gemeenschapsarm gemeenteleven.
Een Avondmaal waar verzoening en vergeving boven alles centraal staan, en waar het verlangen van Gods Zoon om met ons gemeenschap te hebben en de kracht van het hemelse leven dat ons door brood en wijn wordt meegedeeld worden onderbelicht, kan wijzen op een spiritualiteit waar het vooral draait om zonde en vergeving.
Een Avondmaal waar alles ordelijk en stipt moet gaan, kan voortkomen uit de gedachte dat God allereerst een God van orde is, en dat orde en fatsoen Hem welbehaaglijk is.
Een Avondmaal waar men niet aan de ander denkt, maar wat men tot een schransmaal maakt, maakt de consumptiedrang en het egoïsme in het alledaagse leven openbaar.
Een Avondmaal dat eens in de zoveel tijd gevierd wordt, en wat daardoor des te sacraler en ‘heiliger’ wordt, kan een weerspiegeling zijn van de visie op het geestelijk leven: het heeft een aantal hoogtepunten, staat eigenlijk niet in verbinding met de regelmatige rest van het leven, en je hebt het er niet zoveel over.

Aan het Avondmaal laten wij ons Godsbeeld, onze theologie, onze gemeenteopvatting en onze spiritualiteit niet thuis. Het is er met de vingers te tasten.

dinsdag 25 maart 2008

Romeinen 7 in ander licht (2)

De traditionele visie
Alvorens zelf tot een positiebepaling omtrent R7 te komen, eerst de vraag: waar gaat het volgens de traditionele visie om in R7,14-25? Met de traditionele visie bedoel ik de Augustijns-Lutherse visie, die door velen in de reformatorische traditie werd en wordt aangehangen. Belangrijke punten in deze opvatting zijn:
  • In R7,14-25 gaat het om de ervaring van een wedergeboren christen. Het is Paulus die over zichzelf schrijft. Het is het normale christelijke leven.
  • Het gaat om de strijd tegen de inwonende zonde (vs17), dat is, de zondige natuur die na bekering nog overblijft in de christen.
  • Het betreft de strijd tussen de goede wil (nieuwe natuur) en het vlees (oude natuur), of, in andere termen, nieuwe en oude mens.
  • Hieruit valt te leren - wat overeenstemt met de ervaring - dat de gelovige een tweemens is.
  • De strijd is vooral een innerlijke strijd.
  • De ervaring van strijd in R7 staat niet in tegenstelling tot de triomftonen van R8.

Het ‘ego’
Goed interpreteren is het oplossen van dilemma's. Voor velen is het dilemma bij Ro7: beschrijft Paulus zijn ervaring voor of na zijn bekering? Heeft hij deze situatie achter zich gelaten, of zit hij er nog volop middenin? Mijns inziens is hier al de beslissing genomen dat Paulus in zijn spreken over ‘ego’ (ik) het over zichzelf heeft. Maar wanneer deze beslissing al genomen is, is de kans groot dat andere mogelijkheden van interpretatie van het ‘ik’ - die evengoed recht zouden doen aan de tekst - bij voorbaat zijn uitgesloten van deelname. Welke mogelijkheden bedoel ik?

Het ‘ik’ als

  • Paulus
  • - voor bekering, als wetsijveraar
    - bij bekering, met ontwakend geweten
    - na bekering, als met de zonde worstelende christen
  • Een type. Bijvoorbeeld van
    - een jood die de Wet tracht te houden
  • - Israël als geheel
    - een onbekeerde, die met een ontwaakt geweten de Wet wil volbrengen
  • Een literair middel om een boodschap effectief duidelijk te maken. Tegenwoordig zouden wij meer schrijven in de 3e persoon, wanneer we iets willen beschrijven waarvan we willen dat anderen het zich voorstellen. Schrijven in een andere persoon is een krachtig middel om het als het ware voor de ogen van de hoorders te laten afspelen. Bovendien kan het makkelijker tot identificatie leiden.

vrijdag 21 maart 2008

Romeinen 7 in ander licht (1)

Romeinen 7 is een vaak geciteerd en veelbesproken hoofdstuk uit de Schrift. Veel christenen zien hier zichzelf in terug, en vinden daarin steun. Gewoonlijk wordt aangenomen dat Paulus hier schrijft over wat hemzelf overkomt. Hij is het 'ik' wat in Ro7,7-26 spreekt, en die belijdt 'maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde' (vs14), die moet bekennen 'Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.' (vs19) en die tenslotte wanhopig uitroept 'ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?' (vs24).
We zouden hier een tekening van de strijd van de christen tegen de zonde zien. De christen heeft door veranderende genade de Wet liefgekregen, en wil die houden uit dankbaarheid, maar vindt in zichzelf zoveel onmogelijkheden en obstakels: het lukt gewoon niet.
Maar gelukkig kende Paulus deze ervaring ook! Hij kende dezelfde strijd, en dezelfde nederlagen. Maar hij roemde in God (vs25). Zo leren we van onszelf niets te verwachten en van God alles. Wij zijn maar vleselijk, en zullen niet beter worden.
Maar klopt dit beeld over Ro7? Kunnen we ons inderdaad beroepen op Paulus' ervaring? Is Paulus het 'ik' wel? En over welke strijd gaat het eigenlijk: tegen je oude natuur, tegen de zonde, tegen de wereld? Wordt ons dit tot voorbeeld geschreven of tot afkeer, tot vertroosting of tot vermaning? Op deze vragen hoop ik verder in te gaan in een volgende post.

Witte Goede Vrijdag

Right now it is snowing in Newa Gine...

Merkwaardig. Geen witte Kerst, maar een wit Pasen. Of eigenlijk: een witte goede vrijdag. Niet dat de sneeuw hier blijft liggen. Daar is het te nat voor. En het gaat al snel over in regen.

Maart roert z'n staart. En sneeuw valt op d'aard.
Van boven naar beneden, rustig en kalm.
Komen, dalen, vallen. Maar niet bedekken. Nee, niet bedekken.
Smelten, oplossen, zakken, stromen en weer gaan.
Misschien tot later, je weet het niet.

Ondertussen wachten duizenden zielen tot hun bestaan van scharlakenrood gemaakt wordt tot het smetteloze van een sneeuwwit tafellaken.
Op een tafel staat wijn. Er ligt ook brood. Alles staat klaar.

Buiten staat het volk. Roerloos te wachten. De hogepriester is zojuist naar binnen gegaan. Zou hij terugkomen? Zou hij levend terugkomen?

Op hen daalt de sneeuw van Gods goedheid neer. Rode sneeuw. Dieprood. Bedekt alles. Vallend, van boven naar beneden. Om hen van beneden naar boven te brengen.
Daar staat de Vader. Wachtend. Nee, niet roerloos. Ontroerd is een beter woord. Alles is immers klaar. Het wijn, het brood. Op een grote tafel.

Buiten de feestzaal hangen kleden. Sneeuwwit. Gewassen in Gods eigen wasserij.

Je zou zeggen dat je van bloed niet wit wordt. Ik weet ook niet hoe dat kan. Ben wel blij, dat het kan.

woensdag 5 maart 2008

Richting het einde van de studie

Vanavond even doortrekken op de UBU (Universiteitsbibliotheek Utrecht). Enkele gedeelten uit het Nieuwe Testament bekijken, vanuit het Grieks, met behulp van wat boeken. Het betreft gedeelten waar Jezus geneest door middel van woorden. Het valt me nu al op dat Hij weinig zegt: 'u bent genezen.' Soms zegt Hij: 'sta op, en loop.' En dan staat er: meteen werd de man gezond, en liep. Mijn bescheiden vraag is: waar ligt de genezende kracht van Jezus in? Heeft dat ook te maken met de woorden die Hij gebruikt? Heeft Hij altijd woorden nodig?

Deze oefeningen vallen onder mijn vierde hoofdstuk van mijn Master Thesis (eindscriptie). Inmiddels zit ik alweer in de tweede helft van mijn zesde jaar theologie. Na vier jaar TUA (Apeldoorn) twee jaar VU (Amsterdam). Het is wel weer welletjes. Theorie is leuk, maar het mag nu ook wel een keer praktisch worden. Toch is dat nog een paar maanden wachten.

In elk geval hopen mijn vrouw Jannet en ik in september voor een tijdje naar onze oud-kolonie (laat ze het daar maar niet horen) Zuid-Afrika te gaan (zie ons piepjonge blog). We willen praktijk, contact met mensen, reizen en bezinning combineren, en zo een mooie tijd beleven. Een tussentijd tussen de studie en het werkende leven.

Waar ik door mijn studie vooral over ben gaan nadenken - en van ben gaan houden - zijn de onderwerpen hermeneutiek en heiliging. Het eerste betreft de leer van de Schrift, en dan met name het uitlegkundige gedeelte. Het gaat over vragen als: zijn er bepaalde principes die je kunt hanteren voor het uitleggen van de Bijbel?, hoe ga je om met historische vragen over de Bijbel?, is er één bepaalde goede uitleg van een tekst of meerdere, en hoe beslis je daartussen?, wat is de rol van een uitlegger? etc. Hermeneutiek wil via een multidisciplinaire benadering, een samenballing van verschillende wetenschappelijke perspectieven, beter zicht op die eeuwenoude, rijke en soms weerbarstige bijbeltekst bieden.
Heiliging heeft met spiritualiteit, met geestelijk leven te maken. Dogmatisch valt er onderscheid te maken tussen rechtvaardiging (1) en heiliging (2). Je kunt ook zeggen: tot geloof komen (1), en in dat geloof wandelen, of dat geloof beoefenen (2). Of: ellende (0), verlossing (1) en dankbaarheid (2). Dat wil niet zeggen dat een gelovige het kruis als een gepasseerd station beschouwt, of dat hij geen dieper inzicht in zijn ellende meer zal krijgen. Heiliging valt te zien als een proces waarin de gelovige dieper inzicht krijgt in God, in Christus, in zichzelf. En dat hij zo een manier van leven leert te ontwikkelen van wandelen met God, in de kracht van de Heilige Geest. Het gaat dus niet primair om een heiliger worden, om minder zonde doen, maar met name om een wandel met God. In deze gemeenschap (verbondheid) met Christus zal de gelovige wel meer op Hem gaan lijken, maar dat is ook Gods bedoeling.
Hoe je dit bijbels kunt baseren, krachtig kunt leven, en helder en praktisch kunt overbrengen op anderen, is op dit moment - en dat zal nog wel even zo blijven - mijn punt van bezinning.

Wat ik met en na de studie wil gaan doen? De opties zijn vele. In rangorde van klein naar groot:
(a) journalist (bij krant, freelance, of blad als CV Koers)
(b) docent (op middelbare school of instituut als Evangelische Hogeschool)
(c) catecheet (geen betaald werk, wsch., maar wel mooi werk)
(d) onderzoeker, promovendus (lang traject, heel eigen wereld)
(e) theoloog op locatie (als specialist in een team bij kerkelijke of maatschappelijke organisatie)
(f) predikant (zal nog een paar jaar erbij kosten. kerkgenootschap? mmm, lastig)
(g) paus (grapje, alhoewel... Pools bloed he)
Wie het weet, mag het zeggen. Duidelijk is wel dat ik er zelf niet uit ben. Ik ben echter niet van plan me daarover meer druk te maken dan nodig is. Soms maken anderen er zich drukker om dan ikzelf. We komen er met ons drieën wel uit...

Straks maar een punt achter het verblijf in dit reusachtige gebouw zetten. Dan is het wel weer genoeg voor vanavond. Tijd voor een beetje ontspanning. Wat zou Real Madrid hebben gedaan?

maandag 25 februari 2008

Leven in verbondenheid

Dit boek gaat over verbondenheid. Of gemeenschap. De auteur betoogt dat echte verbondenheid ontstaat wanneer wij Christus beter leren kennen. Hij is het beeld van God. God is een God van verbondenheid, die er vreugde in vindt om samen te zijn, en om samen te brengen.

Deze diepe notie doet mij wel wat. Er is veel vervreemding. Wat hebben wij nog met elkaar? Die vraag leeft in de maatschappij, en er wordt gezocht naar verbindende middelen. Ook in de kerk is het een kwestie. Steeds meer komen mensen tot de ontluisterende conclusie: we zitten hier nu wel met elkaar, maar hebben we elkaar ook werkelijk wat te zeggen?

Dit boek zou ons kunnen helpen. Niet als wondermiddel: even snel lezen, een methode overnemen, en dat was het weer. Maar als richtingwijzer naar Christus.
Onder ons gevoel van vervreemding, achter de pijn van het voelen ervan, borrelt een verlangen naar verbondenheid. Laten we eerst eerlijk onze gevoelens benoemen, peilen wat er werkelijk aan de hand is. Dan pas spreken over de oplossing. En hoe sneller we die zoeken in de richting van Christus en de Geest, hoe beter.

Ik lijd aan vervreemding. Ik verlang naar verbondenheid. Ik geloof in een God die dat waar kan en wil maken. Hier en nu.

Jos Douma, Leven in verbondenheid. De kracht van het kennen van Christus. Kok Kampen, 2006, € 13.40
Zie zijn website.

zaterdag 23 februari 2008

Rust in alle omstandigheden

Tranquillus in umbris - Rustig temidden van de golven

Laatst moest ik sterk denken aan (bevindelijk gezegd: werd ik bepaald bij) een tweetal dingen die ik vroeger had gelezen. Het ene gedeelte ging over de apostel Paulus. In zijn brief aan mensen uit Filippi schrijft hij enkele woorden over, om het maar met een actueel woord te zeggen, zijn levenskunst: Fil 4,10-13. Die levenskunst hield in dat hij zich niet van de wijs liet brengen door de omstandigheden: hij had geleerd om genoegen te nemen met de situaties waar hij in terecht kwam. Verderop zegt hij hoe dat kan: ik ben tegen alles bestand door Hem die mij kracht geeft. Zijn innerlijke vreugde liet Paulus niet bepalen door wat er om hem heen gebeurde, maar was geankerd in en werd gevoed door de grond van zijn leven: Jezus.

Het andere gedeelte ging over een man, die door sommigen als een heilige wordt gezien: broeder Laurentius. Hij heeft een boek geschreven, De praktijk van Gods tegenwoordigheid. Deze broeder had zijn werk in de keuken en de mensen schreeuwden als zij wat hebben wilden. 'Maar ondanks dat voortdurende gekletter van borden en bestek werd zijn inwendige mens niet in onrust gebracht. Bij al dat jagen en jachten in de keuken was hij zich net zo bewust van Gods nabijheid als hij dat was in rustig gebed.' Wonderlijke rust moet dat zijn.

Is deze consistente innerlijke vrede en rust ook nog verkrijgbaar in deze jachtige tijd? Is het ook haalbaar voor ons, gewone mensen? Of zou het alleen maar zijn voor hoogheilige mensen als Paulus en Laurentius? Moet je er misschien een bepaalde aanleg of karakter voor hebben?

Ik denk dat het te leren is. Paulus verwoordt het zelfs immers ook zo: 'ik heb geleerd met de omstandigheden, waarin ik verkeer, genoegen te nemen' (vs. 11). Allereerst is het belangrijk om een geestelijk leven te hebben, wat op een dieper niveau ligt dan ons psychische en uiterlijke leven. Een geestelijk leven waarin Jezus koning is, wat betekent dat we ons aan Hem hebben toegewijd. Hij is de grond van ons leven. Verder dat we onszelf voor ons geluk niet afhankelijk zien van aardse dingen: rijkdom of armoede, voor- of tegenspoed, complimenten of beledigingen
, maar ons voor onze blijdschap en geluk op Hem gewezen zien, die ons geluk is: Jezus zelf. Het is nodig dat we zijn aanwezigheid zoeken, door Hem in het gebed aan te spreken, en te vragen of Hij merkbaar bij ons wil zijn. Wanneer we onze omstandigheden en ervaringen tegen de gemeenschap met Jezus afzetten, zullen ze op hun plaats worden gezet. Als we deze dingen door de hulp van de Geest leren, zullen we groeien in geestelijke volwassenheid. Immers, een belangrijk kenmerk daarvan is tegelijk onafhankelijk en afhankelijk zijn. En aan geestelijke volwassenheid hebben we vandaag de dag wel behoefte.

Nu de praktijk nog: maandagmorgen in de tram, tussen luide muziek en eventueel stinkende mensen...

PS: door af en toe het woord 'keuken' te laten vallen, hoop ik ook iets te schrijven wat voor huisvrouwen en - mannen relevant kan zijn. ;-p

De passages waarnaar verwezen wordt, zijn:
- D.M. Lloyd-Jones, 'Learning To Be Content', hoofdstuk XX uit Spiritual Depression. Its Causes and Cure, ook vertaald in Nederlands (Oorzaken en genezing van geestelijke depressiviteit, De Banier). Aanrader.
- Watchman Nee, De vrijmaking van de geest, z.j., 27, 31. Overigens deel ik van deze auteur niet al zijn antropologische
uitgangspunten.

maandag 11 februari 2008

Over het Heilig Avondmaal (1)

De Gastheer

De beste voorbereiding is om binnen in het hart van Jezus te zien. Als u verstaat wat Hij, Die op de troon zit, voor u begeert, hoe Hij naar u verlangt, wat Hij voor u bedacht heeft, dan zal dit, meer dan wat anders ook, uw begeerten en verlangens opwekken en u de rechte voorbereiding schenken. (...) Hijzelf wil binnenkomen. Zijn tegenwoordigheid is uiteindelijk de vreugde van het feestmaal. (...) Heerlijk Paasfeest met Jezus vieren! Heerlijk Avondmaal met Jezus houden! Hij is Gastheer, Hij is ook het Bruiloftskleed. Hij is ook Spijs. Hij kent mijn behoeften; Hij weet wat mij tot nu toe weerhouden heeft, en de liefde van Jezus heeft er behagen in om mij aan Zijn tafel juist dát te geven, wat mijn honger kan verzadigen. O Jezus, begeert U zéér om met mij het Pascha te eten? Ik waag het om te antwoorden: Ook ik verlang zeer om met U het Avondmaal te vieren. Mijn ziel verlangt naar het Avondmaal met Jezus.

Uit: Andrew Murray, De Avondmaalstafel. Over de viering van het Heilig Avondmaal, Utrecht: De Banier, 19-20.

vrijdag 8 februari 2008

Mechanismen van in- en uitsluiting (2)

Insiders en outsiders
Mensen creëren automatisch een binnen en een buiten. Deze automatismen zijn te benoemen als sociaal-psychologische mechanismen, die vaak gewoon functioneren zonder dat we dat ons bewust zijn. Er zijn natuurlijke grenzen die bepalen of je een insider of een outsider bent. Binnen het kader van familiebetrekkingen spreken we over het gezin of de familie en de aanhang. Ook al wordt een aanhangende opgenomen in de familie, en is hij in zekere zin een insider, toch blijft hij altijd ergens een outsider.
Op hoger, nationaal-cultureel niveau zien we dat een volk mensen van een andere cultuur binnen zich opneemt, maar dit vaak gepaard gaat met bepaalde eisen: een bepaalde mate van aanpassing, die we integratie noemen. Aanpassing in gedrag, taal, kennis, etc. ‘Je mag bij ons komen wonen, maar dan moet je wel een beetje zoals wij worden.‘ Het lijkt mooi, maar wanneer de insiders bepalen hoe de outsiders insiders moeten worden, hebben zij de macht over hoe ver de insluiting gaat. Onder dit proces ligt vaak een diepe wortel van xenofobie verborgen, en angst voor de vreemde gaat vaak gepaard met een angst voor het verlies van eigen identiteit. ‘Kom niet te dichtbij, want anders besmet je me misschien.‘
Hoger nog dan dit niveau, op transnationaal en intercultureel niveau, spelen soortgelijke mechanismen; alleen zijn deze nog moeilijker zichtbaar te maken. Het zou verrassend kunnen zijn om ontwikkelingshulp in dit licht te bezien. Of de rechten van de mens, die een handvol mensen voor de rest van de wereld heeft opgesteld.
Wanneer we er voor het gemak even vanuit gaan dat mechanismen van in- en vooral uitsluiting vaak negatief, onderdrukkend, of fnuikend uitpakken voor een bepaalde groep, kunnen we zeggen dat het kwaad tot in onze maatschappelijke en globale structuren is doorgedrongen.

woensdag 30 januari 2008

Vraag van de week

Is de Heilige Geest voor jou ook nog een Vreemde Vogel?

Mechanismen van in- en uitsluiting (1)

Leerformulering als groepsafbakende taalhandeling
Formuleren van de leer is een manier om (radicaal) andersdenkenden (vroeger 'ketters' genoemd) effectief de deur te wijzen. Allereerst functioneert dit formuleren - belijden in engere zin - als zelf-explicatie en zelf-designatie. De eigen identiteit van de groep wordt ermee verwoord; men zet zichzelf op de kaart. Vervolgens wordt ook openbaar dat wie het niet met de leer eens is, geen deel van de groep is. De formulering functioneert ten opzichte van hen eigenlijk tweevoudig: a) ze maakt scheiding tussen degenen die het wel en het niet met haar eens zijn; ze wijst de 'ketters' aan; b) ze impliceert dat wie de leer niet deelt, geen deel van de groep kan zijn.
Als zodanig grenst de leer de groep af. Het dogma heeft een sociale functie. Het houdt bijeen en het sluit of houdt buiten. De verwoording van een leer is een taalhandeling: het bevestigt in het spreken de positie van hen die binnen haar inhoud vallen, en het stoot uit degenen die van haar afwijken.
Deze situatie geldt met name binnen een leerstellig vaste groepering. Waar andere prioriteiten heersen, zijn andere criteria aan het werk, maar het kunnen dezelfde mechanismen zijn. Moreel gedrag is zo'n criterium. Of kledingcode.

Onze ruimhartige God sluit soms mensen in die door andere mensen worden buitengesloten. Gelukkig maar.

woensdag 23 januari 2008

Waar blijft ons antwoord?

Pleidooi voor een eredienst met een open einde
Misschien ken je die ervaring wel: zittend onder een preek word je getroffen. Pats. Voltreffer.
Een gevoelige snaar werd geraakt. Een vertroostend woord misschien. Of een terechtwijzing. Of een ontdekking van een zonde die je ver weg had gestopt. Of een liefdevol roepen van de Goede Herder.
Hoe ga je dan verder? Is er iemand aan wie je dat kwijt kan? Je zit wat stilletjes in de bank, misschien met opkomende tranen. Je durft niet om je heen te kijken, bang dat iemand je gevoelens ziet. Ah, daar is het ‘amen’ en daarop volgend een psalm als antwoord op de preek. Daar kun je je gevoelens misschien in kwijt. Uit volle borst zing je mee. De psalm past dan wel niet helemaal bij je situatie, maar toch, het is een goede manier om te participeren in de eredienst. Of gebruik je het zingen om je gevoelens te overschreeuwen?
Ik weet niet in hoeverre dit beeld herkenbaar is. Wellicht dat er inderdaad mensen zijn die in de psalmen een mogelijkheid zien om hun antwoord op de preek te geven. Wat mij betreft: ik vind het te mager. De traditionele gereformeerde eredienst - want daar gaat het over - biedt naar mijn gevoelen te weinig mogelijkheden voor een antwoord van het gemeentelid. En dat is een kwalijke zaak. Het is namelijk goed als mensen meedoen in de dienst aan God, als zij interacteren, reageren, misschien initiatief nemen.
Het kan ook anders. Ik kom wel eens in een gemeente waar er na de verkondiging de mogelijkheid is tot bidden met elkaar, het zgn. ministry-gebed. Je kunt aan het einde van de dienst - niet pas na afloop ervan! - naar betrouwbare mensen toegaan, die voor en met je gaan bidden voor jouw specifieke situatie. Dat lijkt mij een vorm van een goed antwoord.
Stel nu eens dat je graag een stuk pijn wilt ophoesten, God wilt loven in woorden die bij jou passen, een zonde wil opbiechten, een nieuw inzicht wilt delen... en je neemt het mee naar huis... en je leeft erover heen! Zonde, toch?
Ons antwoord: waar blijft het? Ik bedoel dit dubbelzinnig: waar kan het blijven? Hebben wij gelegenheden waar het een uitweg kan vinden? Maar ook: waarom blijft het uit? Wanneer zullen wij in een dienst God antwoorden, met mond en hart?
Ik pleit voor een integrale eredienst, waar mensen in de vrijheid van de kinderen Gods zichzelf tot God en hun broers en zussen kunnen uiten en gemeenschap kunnen beleven. Is dat teveel gevraagd? Is het gevaar inderdaad dat het de aandacht van de preek afleidt? Volgens mij kan het juist een versterkend effect hebben.
Het is toch te proberen...

Hermeneutische vingeroefeningen (2)

De tekst als aanspraak
De teksten uit de Bijbel zijn geschreven met een bepaald adres. Ze zijn ontstaan vanuit de bedoeling om één of meerdere personen aan te spreken. Bij sommige bijbelboeken is dit adres in de tekst zelf opgenomen. Om enkele voorbeelden te noemen: de brieven van Paulus en de geschriften van Lukas. Bij de laatste is het opvallend dat het adres één persoon kent, terwijl de strekking van het schrijven toch zovele malen wijder is. Men kan zich afvragen of dit een literair construct van Lukas is geweest - zodat hij onder het adres van een al dan niet fictieve Theofilus aan vele niet-Theofili het woord richtte - of dat hij zich eenvoudigweg aanvankelijk alleen tot Theofilus wilde richten, met als neveneffect dat vele anderen ook met de inhoud van het schrijven verrijkt werden. Of misschien is de aanhef alleen als een opschrift te zien, die men los kan maken van de rest van het schrijven, zodat het Evangelie van Lukas los van de aanhef een 'gewoon' Evangelie is zoals dat van Markus. Hoe het ook zij, vele lezers hebben zich in de geschiedenis niet door het opschrift laten weerhouden om het Evangelie van Lukas tot zich te nemen. Op het eerste oog niet tot hen gericht, voelden ze zich door de inhoud niettemin zo aangesproken, dat ze het Evangelie als aan hen gericht - indirect of meer direct - gingen beschouwen. Misschien dat Lukas niet direct een onbekend publiek wilde bereiken - wat gezien zijn universele boodschap (Handelingen: het Evangelie de wereld in) toch moeilijk overeind te houden lijkt -, de Heilige Geest heeft zijn Evangelie dan toch maar willen gebruiken om hen te bereiken, zo moeten zij hebben gedacht.
Een ander geschrift, dat aan één bepaalde persoon is opgedragen is Paulus’ brief aan Filemon. Het bevat een boodschap die minder wijd reikt dan het Evangelie van Lukas, niettemin hebben lezers er toch ook lessen uit getrokken. Woorden aan Filemon gericht hebben zij ook op zichzelf toegepast.
Ik wil graag meer nadenken over de verhouding tussen adressering en aanspraak enerzijds, en toe-eigening - zichzelf bij het adres voegen -, zich aangesproken voelen, op zichzelf toepassen anderzijds. Voor mij is de spanning die er tussen deze twee polen bestaat een fundamenteel onderdeel van het hermeneutisch probleem.
Het hermeneutisch probleem wordt gevormd door de afstand tussen verleden - de tijd van de teksten - en het heden - de situatie van de lezer. Het is problematisch dat we onszelf niet zomaar kunnen verplaatsen (meer of minder letterlijk) in het verleden. Ondanks de informatie die we er van hebben, missen we allerlei gegevens, die voor een volmaakt begrijpen noodzakelijk zijn. Door het missen van deze informatie worden we gehandicapt in het transponeren van de teksten naar vandaag. De vraag naar de actuele gelding van de historische tekst kan niet 1-2-3 beantwoord worden. Hermeneutiek houdt zich onder meer bezig met het overbruggen van deze afstand. Het levert principes voor de gelding.
Adres en gelding en hangen samen. Aan wie iets is geadresseerd, voor die geldt het. Een brief aan mij geschreven, is niet voor mijn ouders bestemd. Mijn naam staat erop, wat er in staat geldt voor mij. Wanneer ergens geen adres op staat, of een adres dat verschilt van onze naam, kunnen we in onzekerheid verkeren of wat er in het schrijven staat voor ons bedoeld is, voor ons geldt.
Voor het geheel van de Bijbel is niet zo moeilijk om het als een ons gericht schrijven op te vatten. In populaire taal wordt wel eens gezegd dat de Bijbel Gods liefdesbrief is. De problemen komen pas wanneer we op onderdelen gaan focussen en gaan vragen: maar dat, geldt dat ook voor ons?
Het toe-eigenen van een tekst die niet direct aan jou gericht is, kan gezien worden als een vorm van gepaste vrijmoedigheid. Vrijmoedigheid is in dat geval een hermeneutische deugd, die ons helpt bij het overbruggen van de kloof tussen toen en nu. In contrast hiermee kan deze toe-eigening zonder toestemming beschouwd worden als een ongepaste brutaliteit, en daarmee als een hermeneutische ondeugd.
Deze overwegingen brengen mij tot de vraag: Welke redenen hebben we voor het ons toe-eigenen van bepaalde teksten in de Bijbel? Wanneer zijn we daartoe ‘entitled’?
Bewust of onbewust hebben we allemaal onze hermeneutische principes, de overbruggings- of geldingsprincipes. Deze functioneren dan als criteria aan de hand waarvan we (bewust of meer onbewust) bepalen of en hoe een tekst voor ons vandaag geldt.

De twee kanten van het kruis

Er zijn twee kanten aan het kruis: een kant van de dood en een kant van het leven.
Voor Christus de dood, voor ons het leven.
Echter ook: wij met Hem gestorven, en met Hem opgestaan.
Dit sterven moet in ons leven ingaan. Het zelf wordt in de heiligmaking gekruisigd.
Alleen door de dood heen kan leven en geestelijke vernieuwing komen (2 Cor 4,11*). Dit is een geestelijke wet. Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij zoals hij is, maar indien hij sterft, draagt hij veel vrucht (Joh 12,24).
De weg achter Jezus aan is een weg van vallen en opstaan.

Literatuur: Jessie Penn-Lewis, Het kruis van Golgotha

* 2 Cor 4,11: Wij levenden worden altijd omwille van Jezus aan de dood prijsgegeven, opdat in ons sterfelijke bestaan ook het leven van Jezus zichtbaar wordt. (NBV)

dinsdag 22 januari 2008

Hermeneutische vingeroefeningen (1)

Het particuliere en het universele
Hermeneutiek gaat over de relatie tussen het particuliere en het universele, het bijzondere en het algemene. De interpreet probeert in de wereld van het particuliere, of het nu om een tekst gaat of om een persoon, het universele te ontwaren. Anders gezegd: door het universele als meetinstrument dichtbij het particuliere te houden, en te kijken of het ‘match(e)t’, probeert hij het particuliere te begrijpen in termen van het universele. Wanneer het bijzondere puur bijzonder blijft, vindt er geen verstaan plaats. Verstaan treedt pas op wanneer in het bijzondere iets van het algemene gezien wordt. Tegelijk kan het zo zijn dat het begrip van het algemene door het bijzondere wordt opengebroken, omdat dit laatste iets nieuws weet te brengen, wat niet door vergelijk met al eerder bekende situaties wordt opgedoken, maar wat zichzelf als nieuw aandient. Hoe dit nieuwe toch verstaan kan worden, is door het met oude dingen te vergelijken, die er het dichtst bij in de buurt komen, of, de andere kant op, door er een tegenovergestelde van iets ouds in te zien. x ken ik niet, het is nieuw voor mij, maar -x ken ik wel.