zondag 25 april 2010

Zelfliefde, mensenvrees, mensen behagen

Je hebt van die mensen, die worden ‘pleasers’ genoemd. Die vinden er plezier in om anderen te plezieren. Ze hebben pas hun zin als anderen het naar de zin hebben. Sommigen hebben er zelfs hun beroep van gemaakt, zoals iemand die complete evenementen organiseert om anderen te entertainen (er is een officiële naam hiervoor, maar die ben ik even kwijt). Op een meer tijdelijke basis is een ceremoniemeester ook zo iemand, die ervoor moet zorgen dat bruid en bruidegom lekker op hun gemak hun huwelijksfeest kunnen beleven. En wat te denken van een hotelmanager, die als gastheer er natuurlijk voor wil zorgen dat zijn gasten het naar hun zin hebben.

De ene mens heeft meer aanleg voor het ‘pleasen’ van anderen, dan de andere mens. Het is een kwestie van karakter en temperament. Wanneer je sociaal, extravert en ondernemend bent ingesteld, zul je waarschijnlijk iemand zijn die het leuk vindt om door dingen te organiseren anderen te plezieren.

Overigens is het nog best lastig om voor het Engelse ‘pleasen’ en oud-Nederlandse ‘behagen’ een treffend modern Nederlands equivalent te vinden. ‘Naar de zin maken’ en ‘plezieren’ wend ik maar even daarvoor aan.

Dat mensen zich inzetten om het leven van hun medemens te veraangenamen is iets om toe te juichen. Ik kan er niets ongezonds in zien. Buiten het feit misschien dat er altijd een op zichzelf gerichte motivatie achter kan schuilen. De hotelmanager wil, door zijn gasten via een uitstekende service aan zich te binden, uiteindelijk zijn hotel draaiende houden, mogelijk met winst. Zijn (altruïstische) klantvriendelijkheid is het instrument waarmee hij zijn (egoïstische) doel wil bereiken. Egoïsme in de vorige zin hoeft niet per definitie als slecht te worden gezien, zolang de manager maar niet denkt en voordoet dat de klant zijn doel is.

Wanneer mensen mensen op een gezonde manier het naar de zin maken, wordt het leven zonniger en mooier. Dit valt dus toe te juichen. Is er echter ook een ongezonde manier om anderen te ‘pleasen’? Die is er zeker. Er zijn mensen die zichzelf opgelegd hebben om dag in dag uit voor anderen uit te sloven. Belangrijk is de frase ‘zichzelf opgelegd hebben’. Het betreft hier niet een gezonde werkgever-werknemersrelatie, waarbij de een in zekere zin voor de ander werkt. Het gaat om mensen die vanuit de gedachte dat zij enkel bestaan voor het welzijn van anderen hun leven inrichten.

Een neiging die wel tegenovergesteld lijkt aan mensen behagen, is die van mensenvrees. Natuurlijk is het absoluut tegenovergestelde mensenhaat of mensen het leven zuur maken, maar mensenvrees staat toch wel in het rijtje dat je niet direct associeert met mensen plezieren. In mensenvrees zit een beweging van mensen af, in mensen behagen zit een beweging naar mensen toe.

Hoewel ze op het eerste gezicht of gehoor niets met elkaar te maken lijken te hebben, kun je ze toch samendenken.

Als je mensen vreest, en dan met name het oordeel van mensen, neig je ertoe die mensen het naar de zin te maken, zodat ze positief over jou denken, en je eigen positie veiliggesteld is.

Dit mechanisme valt schematisch zo weer te geven:



figuur 1


De kern van het onbekeerde mensenhart is zelfliefde. De mens, die onafhankelijk van God leeft, wil dat graag zo houden. Hij verwerpt de heteronomie (dat een ander over hem zou heersen) en streeft ernaar zijn autonomie ten opzichte van God en medemens in stand te houden. Het consolideren van de eigen positie vergt al zijn energie. Eigen positie bewaren staat gelijk aan het bouwen van het eigen koninkrijk, het hooghouden van eigen naam, status en prestige, en het vergroten van eigen invloed. In het Engels kan dit met één woord worden samengevat: self-preservation.

Een van de uitingen van de zorg om de eigen positie te bewaren is bezorgdheid. Deze bezorgdheid manifesteert zich in het zich overmatig druk maken om kleding en voedsel (Mattheüs 6). Het is niet een onschuldig zorgen maken om, maar een gebrek aan vertrouwen in de voorziening van de goede God voor Zijn kinderen. Wanneer men God niet vertrouwt voor de basisnoden van het leven, moet men die zelf zien te waarborgen.

Wanneer een mens zich ontwikkelt van kind tot volwassene, komt hij tot zelfstandigheid. Hij krijgt een bewustzijn van zijn eigen positie en dat hij daaraan moet bouwen. Hij komt er toe andere mensen als een bedreiging voor zijn eigen positie te zien, en ontwikkelt een systeem van checks & balances, van geven en nemen, om zijn eigen positie in stand te kunnen houden terwijl hij met anderen samenleeft. Het zien van anderen als een bedreiging voor je eigen positie, kort gezegd: als een bedreiging voor zichzelf, kan men mensenvrees noemen. Mensenvrees is een vrees koesteren voor andere mensen, in het bijzonder voor hun oordeel. Overigens heeft deze vrees alleen maar bestaansgrond wanneer men veronderstelt dat die anderen werkelijk invloed uit kunnen oefenen op je eigen positie, en dat een negatief oordeel van hen over jou kan betekenen dat je er zelf op achteruit gaat. Om te voorkomen dat anderen een slecht oordeel over je zullen vellen, kun je je toevlucht nemen tot het hen naar de zin maken. Door zo de mensen te behagen blijft je eigen positie buiten schot en gewaarborgd. Het mensen naar de zin maken vanuit mensenvrees komt voort uit zelfliefde, en leidt er vervolgens toe dat de eigen positie geconsolideerd wordt en uitgebouwd, kortom: dat de zelfliefde versterkt wordt.


zondag 18 april 2010

Meditatie over Gal 1,6-7

6 Het verbaast me dat u zich zo snel hebt afgewend van hem die u door de genade van Christus heeft geroepen en dat u zich tot een ander evangelie hebt gekeerd. 7 Er is geen ander evangelie, er zijn alleen maar mensen die u in verwarring brengen en het evangelie van Christus willen verdraaien.” (NBV)


Wat een begin! Na de aanhef en genadegroet aan de gemeenten (het gaat niet om één gemeente) begint Paulus heel verrassend. Dat zijn we niet van hem gewend! Normaal horen we hem toch allerlei dankwoorden uiten aan God, die indirect lof betekenen voor de gemeente. Ik denk even aan Kolossenzen 1,3-4: “In al onze gebeden danken wij God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, voor u, want we hebben gehoord dat u in Christus Jezus gelooft en alle heiligen liefhebt…” en zo zijn er meer voorbeelden. Maar nu? Verbazing, verwondering, ontsteltenis: ‘Het verbaast me…’ (vs. 6). En het is geen positieve verwondering die Paulus heeft! Hij vindt het namelijk onbestaanbaar dat de gemeenten zo’n switch hebben gemaakt: van Degene die hen door de genade van Christus geroepen heeft (God dus) naar een ander evangelie.


Dat is wat, als je dat op je in laat werken. Ze hebben zich van God afgewend. Dat klinkt veel ernstiger dan wanneer er alleen zou staan dat ze zich van het oorspronkelijke Evangelie hebben afgekeerd. Zoals Paulus het nu zegt, laat het meteen de diepste implicatie zien van hun keuze. Het oorspronkelijke Evangelie de rug toekeren - of je dat nu doet door er iets aan toe te voegen, of door er iets af te halen, of door het helemaal weg te gooien - betekent God de rug toekeren.


Paulus kan het niet begrijpen. Hij zou bijna aan zichzelf gaan twijfelen. Heeft hij het dan verkeerd uitgelegd? Nee, in die hoek zoekt hij het toch niet. Uit het vervolg blijkt wel dat Paulus vrij en zeker achter de door hem doorgegeven boodschap staat, en niet twijfelt aan de herkomst van die boodschap (persoonlijke openbaring van God) of aan de zuiverheid waarmee hij het Evangelie aan de man gebracht heeft. Dat hij daar zo zeker van is, werkt des te meer mee aan zijn verwondering. Als het niet aan de zuivere boodschap ligt, waar kan het dan aan liggen? Hoe kan het toch…

Hoe kan het toch… De kern van de verwondering van Paulus staat in vers 7: Er is geen ander evangelie!!!!! Volgens mij moet je hier echt uitroeptekens lezen. ‘Hoe kun je dat nou toch doen, je ziet toch wel dat wat je nu hebt géén Evangelie meer is?’ Niet alleen wil Paulus zeggen dat ze op een iets ander Evangelie zijn uitgekomen. Hij wil ronduit duidelijk maken dat er geen ander Evangelie is.

Zelf zul je toch ook ontsteld zijn als je om je heen ziet dat mensen iets waardevols en goeds voor iets minders inruilen, met de illusie dat ze juist iets beters krijgen. Dat is de reinste misleiding. Dat is ook wat hier is gebeurd: deze mensen zijn misleid. En wel door andere mensen. ‘Er is geen ander Evangelie, er zijn alleen maar anderen…’ Het Evangelie staat tegenover mensen, die willen verwarren. Sterker nog, het Evangelie staat tegenover de mens als zodanig. Vers 11: ‘Ik verzeker u, broeders en zusters, dat het evangelie dat ik u verkondigd heb niet door mensen is bedacht…’ Of zoals de Statenvertaling het zegt: ‘het Evangelie is niet naar de mens’. Dat is buitengewoon scherp. Het is Evangelie is er wel voor de mens, maar niet naar de mens. Het is niet door mensen bedacht, het past niet in het straatje van mensen, het is niet in een mensenhart opgekomen, maar het komt helemaal van de andere kant. Ontdekkend en bevrijdend tegelijk. En wanneer je dat Evangelie wilt aanpassen, wilt verdoezelen, wettischer wilt maken, of wat dan ook, dan blijf je ten langen leste niet met het Evangelie over, maar blijf je met mensen opgescheept zitten. Dan zit je onder de druk van mensen, die jou hun wil op willen leggen. Wie zich verbonden weet aan het zuivere Evangelie, weet zich vrij van de dwingelandij en groepsdruk van mensen, die anderen, niet op grond van het Evangelie maar met zelfbedachte regels (Kol 2,20-22), aan zich willen binden. De vrijheid van een christen, waar Paulus later meer over zal zeggen, wordt hier al gethematiseerd. Voor het aangezicht van God is er alleen de heerschappij van het Evangelie, niet die van mensen. Zo is er ook geen druk om mensen voortdurend te behagen, maar alleen God, de Heer van het Evangelie.

Gebeurt dat nog in onze tijd, dat we het zuivere Evangelie inruilen voor een ander evangelie? Het gevaar ligt altijd volop op de loer, dat wijst de kerkgeschiedenis uit.

Maar wanneer krijgen we eigenlijk een ander Evangelie? Laten we dat eens dichtbij brengen. We krijgen een ander Evangelie …

  1. …wanneer we iets aan dat Evangelie toevoegen, dat er niet bij hoort.

In het geval van de Galaten was het wel duidelijk: de werken der wet werden onder druk van anderen via de achterdeur binnengehaald, en men dacht dat dat wel samen met Christus kon gaan. Nu, dat kon niet. Kruis en besnijdenis verdragen elkaar niet.

Hoe is dat in onze situatie? Aan hoeveel voorwaarden moeten wij voldoen voordat we ons van anderen een kind van God mogen noemen? Worden status en aanzien bij ons stiekem toch niet meegeteld als het gaat om de positie in het lichaam van Christus?

  1. …waneeer we iets centraals uit het Evangelie weglaten.

Dit kan bijvoorbeeld voorkomen wanneer we zwijgen over de zonde, zo’n impopulair onderwerp. Dan zal de leer van de verlossing ook aan kaliber inboeten, want waar is nu die verlossing voor nodig? Voor onze fouten?

  1. …wanneer we niet alle elementen van het Evangelie prediken.

Vaak belijden we de hele Schrift te geloven en te willen leven. Maar let eens op wat we laten liggen. Willen we nog wel met de God van het Oude Testament geassocieerd worden?

Ook kan het gebeuren dat bepaalde elementen verzelfstandigd gaan worden. Dan wordt er voortdurend op één aambeeld gehamerd. Met name bij rechtvaardiging en heiliging is het gevaar aanwezig dat één van beide in de preek naar voren komt en de andere mondjesmaat genoemd wordt.

Tegelijk wil ik niet zover gaan om te zeggen dat we een totaal ander Evangelie krijgen wanneer we een enkel element vergeten of veronachtzamen.

Naast deze zijn er wel meer mogelijkheden. Ik hoor graag aanvullingen van uw kant. De vraag is natuurlijk: wanneer krijg je werkelijk een ander evangelie? Wat is de grens? Zeker een interessante vraag, maar moeilijk beantwoordbaar. Je zou wel wat kunnen zeggen over de centrale elementen van het Evangelie, maar uiteindelijk zul je toch geen bevredigend antwoord kunnen vinden. Ik veronderstel dat de Galaten van zichzelf dachten dat ze helemaal niet zo’n grote aanpassing hadden gedaan, maar toch was dit voor Paulus reden genoeg om te spreken over een ander evangelie.

Bovendien ook een beetje typisch, zo’n vraag als ‘wat is de grens?’. Waarom zou je dat moeten weten? Uit nieuwsgierigheid? Of om voor jezelf het veilige gevoel te hebben dat je wel binnen de kaders zit?

In elk geval moet dit vaststaan. De kern van het Evangelie voor Paulus is Christus (zie verzen 11 en 12 waarin evangelie en Jezus Christus als inhoud van de openbaring aan elkaar gelijk staan). Over Hem moet het gaan.