Over de plaats van Romeinen 7 in het christelijke leven wordt door de verschillende leiders van Keswick verschillend gedacht. Sprekend over Romeinen 7 hebben we het met name over de persoon die daar uitroept: ‘ik ellendig mens!’ nadat hij heeft bekend: ‘het goede dat ik wil dat doe ik niet’.
Barabas, die in 1952 de theologie van Keswick probeerde te duiden, brengt ondanks verschillende visies toch een uitleg naar voren, en wel die van Hopkins. Voordat hij dat doet, geeft hij aan dat er naast de Keswickvisie grofweg drie posities te onderscheiden zijn als het gaat over de interpretatie van Romeinen 7.
Andere posities naast de Keswickvisie
(1) Paulus beschrijft de ervaringen van een onwedergeboren Jood – waarschijnlijk zichzelf – die probeert de wet te houden. Hij streeft ernaar heilig te worden door zijn eigen pogingen, zonder de genade. De passage leert de krachteloosheid van de wet en dat genade nodig is om een heilig leven te leiden.
(2) Paulus beschrijft de normale ervaring van elke christen in zijn strijd met de zonde. Niet alleen teruggevallen christenen treuren zo over zichzelf dat ze zeggen ‘ik ellendig mens’, nee, een ieder die in gemeenschap met Christus leeft uit deze klacht elke dag en elk uur. De verlossing die aan het einde van het hoofdstuk wordt beschreven ligt in de toekomst.
(3) Paulus beschrijft de ervaringen van een christen in zijn onsuccesvolle conflict met de zonde voordat hij het geheim van de bevrijding heeft geleerd. Romeinen 7 en Romeinen 8 beschrijven opeenvolgende stadia in de ervaring van eenzelfde persoon. De ervaring van Romeinen 7 kan achtergelaten worden, zonder dat je er ooit meer naar terug hoeft.
Barabas zegt na de beschrijving van deze visies dat visie (2) en visie (3) door alle Keswick leiders die hij kent worden afgewezen. Een enkeling is van mening dat visie (1) de juiste is.
De Keswick visie
De visie die kenmerkend is voor Keswick wordt door Hopkins in één van toespraken uiteengezet.
(4) De ervaring van strijd en nederlaag die hier beschreven wordt is niet de door God bedoelde normale christelijke ervaring, maar laat zien wat er gebeurt wanneer een persoon, of die nu wedergeboren is of niet, probeert om de oude natuur te overwinnen in eigen kracht, zonder de goddelijke remedie. De wet van het gemoed is niet sterk genoeg om de wet van de zonde en de dood in onze leden tegen te gaan.
Het hoofdstuk beschrijft een christen, op zichzelf bekeken, los van actief geloof in Christus, en los van de inwoning van Hem. Het hoofdstuk is een beschrijving van de aard van de krachten in een christen en de gevolgen van hun werking, apart van Christus.
Elke christen is ‘in Christus’ (positie) maar er bestaat zoiets als niet in Hem blijven. Er is dus een onderscheid te maken tussen positie en ervaring.
We zijn in onszelf hulpeloos. De wet van de Geest moet de wet van de zonde, die in ons levend blijft, tegengaan. Wanneer we in Christus blijven (dat is: leven in gemeenschap met Hem), zijn we vrij van de wet van de zonde en de dood.
Kritische vragen
Ik stel niet zozeer kritische vragen bij die visie op Romeinen 7 die Keswick heeft, want het lijkt me juist om te zeggen dat in Romeinen 7 ons een beeld wordt gegeven van iemand die zonder de kracht van Christus en de Geest het leven probeert te bereiken, maar daarin totaal niet slaagt. Wel moet in het oog worden gehouden dat het de bedoeling van Paulus niet is om een ervaring per se te beschrijven, maar eerder een les wil meegeven die deze ervaring ons leert, namelijk dat de wet krachteloos is om van de zondemacht te bevrijden. Het houden van de wet op zichzelf, los van de Geest, zal nooit tot heiliging leiden (zie ook de visie op Romeinen 7, verderop in deze blog).
Wel stel ik vragen bij verschillende accenten van de heiligingsleer van Keswick die in de visie op Romeinen 7 duidelijk worden.
· Kun je de wedergeboren mens bezien, apart van de inwonende Christus? Christus en de Geest wonen toch altijd en blijvend in hem?
· Leg je in deze visie niet heel veel nadruk op het blijven in Christus door gemeenschap met Hem te hebben als middel om de zondekracht tegen te gaan?
· Is het ‘blijven in Christus’, uitgelegd als een dagelijkse gemeenschap met Christus, wel een juiste uitleg van Johannes 15:4-5? Wat doe je dan met vers 6: ‘Zo iemand in Mij niet blijft, die is buiten geworpen, gelijkerwijs de rank, en is verdord; en men vergadert dezelve, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand.’
Consequent doorgetrokken zou dat dus betekenen dat iedere christen die niet dagelijks de gemeenschap met Christus beoefent buiten geworpen wordt en onder het oordeel komt? (volgens mij de uitleg van verbrand worden) Dat is tamelijk vergaand.
· Is het wel een juiste uitleg van Romeinen 8:2 (de wet van de Geest des levens heeft mij vrijgemaakt van de wet van de zonde en de dood) wanneer je zegt dat dit plaatsvindt zolang je in Christus blijft (gemeenschap met Hem beoefent)? Het vrijmaken door de wet van de Geest lijkt gezien het taalgebruik toch eerder op een momentane gebeurtenis, afgesloten en wel?
