woensdag 30 januari 2008
Mechanismen van in- en uitsluiting (1)
Leerformulering als groepsafbakende taalhandeling
Formuleren van de leer is een manier om (radicaal) andersdenkenden (vroeger 'ketters' genoemd) effectief de deur te wijzen. Allereerst functioneert dit formuleren - belijden in engere zin - als zelf-explicatie en zelf-designatie. De eigen identiteit van de groep wordt ermee verwoord; men zet zichzelf op de kaart. Vervolgens wordt ook openbaar dat wie het niet met de leer eens is, geen deel van de groep is. De formulering functioneert ten opzichte van hen eigenlijk tweevoudig: a) ze maakt scheiding tussen degenen die het wel en het niet met haar eens zijn; ze wijst de 'ketters' aan; b) ze impliceert dat wie de leer niet deelt, geen deel van de groep kan zijn.
Als zodanig grenst de leer de groep af. Het dogma heeft een sociale functie. Het houdt bijeen en het sluit of houdt buiten. De verwoording van een leer is een taalhandeling: het bevestigt in het spreken de positie van hen die binnen haar inhoud vallen, en het stoot uit degenen die van haar afwijken.
Deze situatie geldt met name binnen een leerstellig vaste groepering. Waar andere prioriteiten heersen, zijn andere criteria aan het werk, maar het kunnen dezelfde mechanismen zijn. Moreel gedrag is zo'n criterium. Of kledingcode.
Onze ruimhartige God sluit soms mensen in die door andere mensen worden buitengesloten. Gelukkig maar.
Als zodanig grenst de leer de groep af. Het dogma heeft een sociale functie. Het houdt bijeen en het sluit of houdt buiten. De verwoording van een leer is een taalhandeling: het bevestigt in het spreken de positie van hen die binnen haar inhoud vallen, en het stoot uit degenen die van haar afwijken.
Deze situatie geldt met name binnen een leerstellig vaste groepering. Waar andere prioriteiten heersen, zijn andere criteria aan het werk, maar het kunnen dezelfde mechanismen zijn. Moreel gedrag is zo'n criterium. Of kledingcode.
Onze ruimhartige God sluit soms mensen in die door andere mensen worden buitengesloten. Gelukkig maar.
woensdag 23 januari 2008
Waar blijft ons antwoord?
Pleidooi voor een eredienst met een open einde
Misschien ken je die ervaring wel: zittend onder een preek word je getroffen. Pats. Voltreffer.
Een gevoelige snaar werd geraakt. Een vertroostend woord misschien. Of een terechtwijzing. Of een ontdekking van een zonde die je ver weg had gestopt. Of een liefdevol roepen van de Goede Herder.
Hoe ga je dan verder? Is er iemand aan wie je dat kwijt kan? Je zit wat stilletjes in de bank, misschien met opkomende tranen. Je durft niet om je heen te kijken, bang dat iemand je gevoelens ziet. Ah, daar is het ‘amen’ en daarop volgend een psalm als antwoord op de preek. Daar kun je je gevoelens misschien in kwijt. Uit volle borst zing je mee. De psalm past dan wel niet helemaal bij je situatie, maar toch, het is een goede manier om te participeren in de eredienst. Of gebruik je het zingen om je gevoelens te overschreeuwen?
Ik weet niet in hoeverre dit beeld herkenbaar is. Wellicht dat er inderdaad mensen zijn die in de psalmen een mogelijkheid zien om hun antwoord op de preek te geven. Wat mij betreft: ik vind het te mager. De traditionele gereformeerde eredienst - want daar gaat het over - biedt naar mijn gevoelen te weinig mogelijkheden voor een antwoord van het gemeentelid. En dat is een kwalijke zaak. Het is namelijk goed als mensen meedoen in de dienst aan God, als zij interacteren, reageren, misschien initiatief nemen.
Het kan ook anders. Ik kom wel eens in een gemeente waar er na de verkondiging de mogelijkheid is tot bidden met elkaar, het zgn. ministry-gebed. Je kunt aan het einde van de dienst - niet pas na afloop ervan! - naar betrouwbare mensen toegaan, die voor en met je gaan bidden voor jouw specifieke situatie. Dat lijkt mij een vorm van een goed antwoord.
Stel nu eens dat je graag een stuk pijn wilt ophoesten, God wilt loven in woorden die bij jou passen, een zonde wil opbiechten, een nieuw inzicht wilt delen... en je neemt het mee naar huis... en je leeft erover heen! Zonde, toch?
Ons antwoord: waar blijft het? Ik bedoel dit dubbelzinnig: waar kan het blijven? Hebben wij gelegenheden waar het een uitweg kan vinden? Maar ook: waarom blijft het uit? Wanneer zullen wij in een dienst God antwoorden, met mond en hart?
Ik pleit voor een integrale eredienst, waar mensen in de vrijheid van de kinderen Gods zichzelf tot God en hun broers en zussen kunnen uiten en gemeenschap kunnen beleven. Is dat teveel gevraagd? Is het gevaar inderdaad dat het de aandacht van de preek afleidt? Volgens mij kan het juist een versterkend effect hebben.
Het is toch te proberen...
Een gevoelige snaar werd geraakt. Een vertroostend woord misschien. Of een terechtwijzing. Of een ontdekking van een zonde die je ver weg had gestopt. Of een liefdevol roepen van de Goede Herder.
Hoe ga je dan verder? Is er iemand aan wie je dat kwijt kan? Je zit wat stilletjes in de bank, misschien met opkomende tranen. Je durft niet om je heen te kijken, bang dat iemand je gevoelens ziet. Ah, daar is het ‘amen’ en daarop volgend een psalm als antwoord op de preek. Daar kun je je gevoelens misschien in kwijt. Uit volle borst zing je mee. De psalm past dan wel niet helemaal bij je situatie, maar toch, het is een goede manier om te participeren in de eredienst. Of gebruik je het zingen om je gevoelens te overschreeuwen?
Ik weet niet in hoeverre dit beeld herkenbaar is. Wellicht dat er inderdaad mensen zijn die in de psalmen een mogelijkheid zien om hun antwoord op de preek te geven. Wat mij betreft: ik vind het te mager. De traditionele gereformeerde eredienst - want daar gaat het over - biedt naar mijn gevoelen te weinig mogelijkheden voor een antwoord van het gemeentelid. En dat is een kwalijke zaak. Het is namelijk goed als mensen meedoen in de dienst aan God, als zij interacteren, reageren, misschien initiatief nemen.
Het kan ook anders. Ik kom wel eens in een gemeente waar er na de verkondiging de mogelijkheid is tot bidden met elkaar, het zgn. ministry-gebed. Je kunt aan het einde van de dienst - niet pas na afloop ervan! - naar betrouwbare mensen toegaan, die voor en met je gaan bidden voor jouw specifieke situatie. Dat lijkt mij een vorm van een goed antwoord.
Stel nu eens dat je graag een stuk pijn wilt ophoesten, God wilt loven in woorden die bij jou passen, een zonde wil opbiechten, een nieuw inzicht wilt delen... en je neemt het mee naar huis... en je leeft erover heen! Zonde, toch?
Ons antwoord: waar blijft het? Ik bedoel dit dubbelzinnig: waar kan het blijven? Hebben wij gelegenheden waar het een uitweg kan vinden? Maar ook: waarom blijft het uit? Wanneer zullen wij in een dienst God antwoorden, met mond en hart?
Ik pleit voor een integrale eredienst, waar mensen in de vrijheid van de kinderen Gods zichzelf tot God en hun broers en zussen kunnen uiten en gemeenschap kunnen beleven. Is dat teveel gevraagd? Is het gevaar inderdaad dat het de aandacht van de preek afleidt? Volgens mij kan het juist een versterkend effect hebben.
Het is toch te proberen...
Hermeneutische vingeroefeningen (2)
De tekst als aanspraak
De teksten uit de Bijbel zijn geschreven met een bepaald adres. Ze zijn ontstaan vanuit de bedoeling om één of meerdere personen aan te spreken. Bij sommige bijbelboeken is dit adres in de tekst zelf opgenomen. Om enkele voorbeelden te noemen: de brieven van Paulus en de geschriften van Lukas. Bij de laatste is het opvallend dat het adres één persoon kent, terwijl de strekking van het schrijven toch zovele malen wijder is. Men kan zich afvragen of dit een literair construct van Lukas is geweest - zodat hij onder het adres van een al dan niet fictieve Theofilus aan vele niet-Theofili het woord richtte - of dat hij zich eenvoudigweg aanvankelijk alleen tot Theofilus wilde richten, met als neveneffect dat vele anderen ook met de inhoud van het schrijven verrijkt werden. Of misschien is de aanhef alleen als een opschrift te zien, die men los kan maken van de rest van het schrijven, zodat het Evangelie van Lukas los van de aanhef een 'gewoon' Evangelie is zoals dat van Markus. Hoe het ook zij, vele lezers hebben zich in de geschiedenis niet door het opschrift laten weerhouden om het Evangelie van Lukas tot zich te nemen. Op het eerste oog niet tot hen gericht, voelden ze zich door de inhoud niettemin zo aangesproken, dat ze het Evangelie als aan hen gericht - indirect of meer direct - gingen beschouwen. Misschien dat Lukas niet direct een onbekend publiek wilde bereiken - wat gezien zijn universele boodschap (Handelingen: het Evangelie de wereld in) toch moeilijk overeind te houden lijkt -, de Heilige Geest heeft zijn Evangelie dan toch maar willen gebruiken om hen te bereiken, zo moeten zij hebben gedacht.
Een ander geschrift, dat aan één bepaalde persoon is opgedragen is Paulus’ brief aan Filemon. Het bevat een boodschap die minder wijd reikt dan het Evangelie van Lukas, niettemin hebben lezers er toch ook lessen uit getrokken. Woorden aan Filemon gericht hebben zij ook op zichzelf toegepast.
Ik wil graag meer nadenken over de verhouding tussen adressering en aanspraak enerzijds, en toe-eigening - zichzelf bij het adres voegen -, zich aangesproken voelen, op zichzelf toepassen anderzijds. Voor mij is de spanning die er tussen deze twee polen bestaat een fundamenteel onderdeel van het hermeneutisch probleem.
Het hermeneutisch probleem wordt gevormd door de afstand tussen verleden - de tijd van de teksten - en het heden - de situatie van de lezer. Het is problematisch dat we onszelf niet zomaar kunnen verplaatsen (meer of minder letterlijk) in het verleden. Ondanks de informatie die we er van hebben, missen we allerlei gegevens, die voor een volmaakt begrijpen noodzakelijk zijn. Door het missen van deze informatie worden we gehandicapt in het transponeren van de teksten naar vandaag. De vraag naar de actuele gelding van de historische tekst kan niet 1-2-3 beantwoord worden. Hermeneutiek houdt zich onder meer bezig met het overbruggen van deze afstand. Het levert principes voor de gelding.
Adres en gelding en hangen samen. Aan wie iets is geadresseerd, voor die geldt het. Een brief aan mij geschreven, is niet voor mijn ouders bestemd. Mijn naam staat erop, wat er in staat geldt voor mij. Wanneer ergens geen adres op staat, of een adres dat verschilt van onze naam, kunnen we in onzekerheid verkeren of wat er in het schrijven staat voor ons bedoeld is, voor ons geldt.
Voor het geheel van de Bijbel is niet zo moeilijk om het als een ons gericht schrijven op te vatten. In populaire taal wordt wel eens gezegd dat de Bijbel Gods liefdesbrief is. De problemen komen pas wanneer we op onderdelen gaan focussen en gaan vragen: maar dat, geldt dat ook voor ons?
Het toe-eigenen van een tekst die niet direct aan jou gericht is, kan gezien worden als een vorm van gepaste vrijmoedigheid. Vrijmoedigheid is in dat geval een hermeneutische deugd, die ons helpt bij het overbruggen van de kloof tussen toen en nu. In contrast hiermee kan deze toe-eigening zonder toestemming beschouwd worden als een ongepaste brutaliteit, en daarmee als een hermeneutische ondeugd.
Deze overwegingen brengen mij tot de vraag: Welke redenen hebben we voor het ons toe-eigenen van bepaalde teksten in de Bijbel? Wanneer zijn we daartoe ‘entitled’?
Bewust of onbewust hebben we allemaal onze hermeneutische principes, de overbruggings- of geldingsprincipes. Deze functioneren dan als criteria aan de hand waarvan we (bewust of meer onbewust) bepalen of en hoe een tekst voor ons vandaag geldt.
De teksten uit de Bijbel zijn geschreven met een bepaald adres. Ze zijn ontstaan vanuit de bedoeling om één of meerdere personen aan te spreken. Bij sommige bijbelboeken is dit adres in de tekst zelf opgenomen. Om enkele voorbeelden te noemen: de brieven van Paulus en de geschriften van Lukas. Bij de laatste is het opvallend dat het adres één persoon kent, terwijl de strekking van het schrijven toch zovele malen wijder is. Men kan zich afvragen of dit een literair construct van Lukas is geweest - zodat hij onder het adres van een al dan niet fictieve Theofilus aan vele niet-Theofili het woord richtte - of dat hij zich eenvoudigweg aanvankelijk alleen tot Theofilus wilde richten, met als neveneffect dat vele anderen ook met de inhoud van het schrijven verrijkt werden. Of misschien is de aanhef alleen als een opschrift te zien, die men los kan maken van de rest van het schrijven, zodat het Evangelie van Lukas los van de aanhef een 'gewoon' Evangelie is zoals dat van Markus. Hoe het ook zij, vele lezers hebben zich in de geschiedenis niet door het opschrift laten weerhouden om het Evangelie van Lukas tot zich te nemen. Op het eerste oog niet tot hen gericht, voelden ze zich door de inhoud niettemin zo aangesproken, dat ze het Evangelie als aan hen gericht - indirect of meer direct - gingen beschouwen. Misschien dat Lukas niet direct een onbekend publiek wilde bereiken - wat gezien zijn universele boodschap (Handelingen: het Evangelie de wereld in) toch moeilijk overeind te houden lijkt -, de Heilige Geest heeft zijn Evangelie dan toch maar willen gebruiken om hen te bereiken, zo moeten zij hebben gedacht.
Een ander geschrift, dat aan één bepaalde persoon is opgedragen is Paulus’ brief aan Filemon. Het bevat een boodschap die minder wijd reikt dan het Evangelie van Lukas, niettemin hebben lezers er toch ook lessen uit getrokken. Woorden aan Filemon gericht hebben zij ook op zichzelf toegepast.
Ik wil graag meer nadenken over de verhouding tussen adressering en aanspraak enerzijds, en toe-eigening - zichzelf bij het adres voegen -, zich aangesproken voelen, op zichzelf toepassen anderzijds. Voor mij is de spanning die er tussen deze twee polen bestaat een fundamenteel onderdeel van het hermeneutisch probleem.
Het hermeneutisch probleem wordt gevormd door de afstand tussen verleden - de tijd van de teksten - en het heden - de situatie van de lezer. Het is problematisch dat we onszelf niet zomaar kunnen verplaatsen (meer of minder letterlijk) in het verleden. Ondanks de informatie die we er van hebben, missen we allerlei gegevens, die voor een volmaakt begrijpen noodzakelijk zijn. Door het missen van deze informatie worden we gehandicapt in het transponeren van de teksten naar vandaag. De vraag naar de actuele gelding van de historische tekst kan niet 1-2-3 beantwoord worden. Hermeneutiek houdt zich onder meer bezig met het overbruggen van deze afstand. Het levert principes voor de gelding.
Adres en gelding en hangen samen. Aan wie iets is geadresseerd, voor die geldt het. Een brief aan mij geschreven, is niet voor mijn ouders bestemd. Mijn naam staat erop, wat er in staat geldt voor mij. Wanneer ergens geen adres op staat, of een adres dat verschilt van onze naam, kunnen we in onzekerheid verkeren of wat er in het schrijven staat voor ons bedoeld is, voor ons geldt.
Voor het geheel van de Bijbel is niet zo moeilijk om het als een ons gericht schrijven op te vatten. In populaire taal wordt wel eens gezegd dat de Bijbel Gods liefdesbrief is. De problemen komen pas wanneer we op onderdelen gaan focussen en gaan vragen: maar dat, geldt dat ook voor ons?
Het toe-eigenen van een tekst die niet direct aan jou gericht is, kan gezien worden als een vorm van gepaste vrijmoedigheid. Vrijmoedigheid is in dat geval een hermeneutische deugd, die ons helpt bij het overbruggen van de kloof tussen toen en nu. In contrast hiermee kan deze toe-eigening zonder toestemming beschouwd worden als een ongepaste brutaliteit, en daarmee als een hermeneutische ondeugd.
Deze overwegingen brengen mij tot de vraag: Welke redenen hebben we voor het ons toe-eigenen van bepaalde teksten in de Bijbel? Wanneer zijn we daartoe ‘entitled’?
Bewust of onbewust hebben we allemaal onze hermeneutische principes, de overbruggings- of geldingsprincipes. Deze functioneren dan als criteria aan de hand waarvan we (bewust of meer onbewust) bepalen of en hoe een tekst voor ons vandaag geldt.
De twee kanten van het kruis
Er zijn twee kanten aan het kruis: een kant van de dood en een kant van het leven.
Voor Christus de dood, voor ons het leven.
Echter ook: wij met Hem gestorven, en met Hem opgestaan.
Dit sterven moet in ons leven ingaan. Het zelf wordt in de heiligmaking gekruisigd.
Alleen door de dood heen kan leven en geestelijke vernieuwing komen (2 Cor 4,11*). Dit is een geestelijke wet. Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij zoals hij is, maar indien hij sterft, draagt hij veel vrucht (Joh 12,24).
De weg achter Jezus aan is een weg van vallen en opstaan.
Literatuur: Jessie Penn-Lewis, Het kruis van Golgotha
* 2 Cor 4,11: Wij levenden worden altijd omwille van Jezus aan de dood prijsgegeven, opdat in ons sterfelijke bestaan ook het leven van Jezus zichtbaar wordt. (NBV)
Voor Christus de dood, voor ons het leven.
Echter ook: wij met Hem gestorven, en met Hem opgestaan.
Dit sterven moet in ons leven ingaan. Het zelf wordt in de heiligmaking gekruisigd.
Alleen door de dood heen kan leven en geestelijke vernieuwing komen (2 Cor 4,11*). Dit is een geestelijke wet. Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij zoals hij is, maar indien hij sterft, draagt hij veel vrucht (Joh 12,24).
De weg achter Jezus aan is een weg van vallen en opstaan.
Literatuur: Jessie Penn-Lewis, Het kruis van Golgotha
* 2 Cor 4,11: Wij levenden worden altijd omwille van Jezus aan de dood prijsgegeven, opdat in ons sterfelijke bestaan ook het leven van Jezus zichtbaar wordt. (NBV)
Labels:
Geestelijke vernieuwing,
Heiligmaking
dinsdag 22 januari 2008
Hermeneutische vingeroefeningen (1)
Het particuliere en het universele
Hermeneutiek gaat over de relatie tussen het particuliere en het universele, het bijzondere en het algemene. De interpreet probeert in de wereld van het particuliere, of het nu om een tekst gaat of om een persoon, het universele te ontwaren. Anders gezegd: door het universele als meetinstrument dichtbij het particuliere te houden, en te kijken of het ‘match(e)t’, probeert hij het particuliere te begrijpen in termen van het universele. Wanneer het bijzondere puur bijzonder blijft, vindt er geen verstaan plaats. Verstaan treedt pas op wanneer in het bijzondere iets van het algemene gezien wordt. Tegelijk kan het zo zijn dat het begrip van het algemene door het bijzondere wordt opengebroken, omdat dit laatste iets nieuws weet te brengen, wat niet door vergelijk met al eerder bekende situaties wordt opgedoken, maar wat zichzelf als nieuw aandient. Hoe dit nieuwe toch verstaan kan worden, is door het met oude dingen te vergelijken, die er het dichtst bij in de buurt komen, of, de andere kant op, door er een tegenovergestelde van iets ouds in te zien. x ken ik niet, het is nieuw voor mij, maar -x ken ik wel.
Hermeneutiek gaat over de relatie tussen het particuliere en het universele, het bijzondere en het algemene. De interpreet probeert in de wereld van het particuliere, of het nu om een tekst gaat of om een persoon, het universele te ontwaren. Anders gezegd: door het universele als meetinstrument dichtbij het particuliere te houden, en te kijken of het ‘match(e)t’, probeert hij het particuliere te begrijpen in termen van het universele. Wanneer het bijzondere puur bijzonder blijft, vindt er geen verstaan plaats. Verstaan treedt pas op wanneer in het bijzondere iets van het algemene gezien wordt. Tegelijk kan het zo zijn dat het begrip van het algemene door het bijzondere wordt opengebroken, omdat dit laatste iets nieuws weet te brengen, wat niet door vergelijk met al eerder bekende situaties wordt opgedoken, maar wat zichzelf als nieuw aandient. Hoe dit nieuwe toch verstaan kan worden, is door het met oude dingen te vergelijken, die er het dichtst bij in de buurt komen, of, de andere kant op, door er een tegenovergestelde van iets ouds in te zien. x ken ik niet, het is nieuw voor mij, maar -x ken ik wel.
Abonneren op:
Posts (Atom)