donderdag 2 oktober 2008

Stellingen over heiliging

1. Het doel van onze heiliging is gelijkvormig te worden aan Jezus Christus, tot eer van God de Vader. Het doel is niet volmaakt te worden, maar om vrucht te dragen. Het doel is niet om van zonden los te komen, maar om alles wat verhindert om vruchtbaar te zijn voor God en tot Zijn eer te leven - waaronder zonden - af te leggen.
Ook diepere zondenkennis is niet een doel op zich in het christelijk leven. Meer prioriteit heeft vruchtdragen, maar ook dat is niet een doel op zich. Gods eer hoort ons doel te zijn.

2. Heiliging is zowel een status als een proces. We zijn ten enenmale geheiligd (1 Cor 6), en we worden veranderd naar het beeld van Christus.

3. De grond voor onze heiligmaking is het kruis van Golgotha en onze eenheid met Christus; de bron is de krachtgevende aanwezigheid van Jezus door de inwoning van de Heilige Geest in ons.

4. Heiliging bloeit op in de gemeenschap met Christus door de Heilige Geest.

5. God heeft voorzien en voorziet nog steeds in alles wat wij nodig hebben om godvruchtig te leven (2 Pe 1,3).

6. Het is onze verantwoordelijkheid van deze voorziening gebruik te maken. In dit proces zijn wij actief (Fil 2,12-13).

7. In de heiliging zijn we in een wezenlijk ander paradigma dan van de rechtvaardiging. Tegelijk kunnen we het kruis niet achter ons laten. Het kruis leidt naar de Geest, en de Geest naar het kruis.
Heiliging als proces komt na rechtvaardiging, maar gaat er niet aan voorbij. Het draait om de rechtvaardiging, maar het gaat om de heiliging.

8. Heiliging heeft een negatief en een positief aspect. Negatief: doden van de opkomende zonde, nee zeggen tegen verleidingen. Positief: opstaan in een nieuw leven, leven in Jezus’ opstandingskracht, aan God toegewijd zijn in gehoorzaamheid, vruchtdragen.

9. ‘Alle heil is in Christus’ en ‘het heil wordt uitgewerkt in ons leven’ staan in verhouding tot elkaar als recht en gebruikmaking van dat recht. Het houdt niet op met ‘alles is in Christus’, maar daar begint het christelijke leven pas mee. De mening dat dit onderscheid afdoet aan de voldoening van Christus (‘Christus heeft alles al gedaan, er hoeft van onze kant niets meer bij’) berust op de misvatting dat het in de heiliging zou gaan om een bijdrage van onze kant tot verwerving van de zaligheid. Goede werken blijven in dit paradigma tezeer in het kader van de verdiensten staan.

10. Omdat God een onuitputtelijke bron van goedheid is, en Hij in Zijn Zoon een volheid van weldaden heeft gelegd, is er voor ons altijd meer 'haalbaar' dan wij al hebben. Enerzijds is dit een voorrecht, anderzijds is dit ook een opdracht (evenals wanneer je stemrecht hebt, je eigenlijk ook moet stemmen). Wij hebben genoeg aan God, maar krijgen nooit genoeg van Hem. Er is dus een legitiem verlangen naar meer.
Soms komt dit meer in een ervaring van dijkdoorbraak tot ons. Deze ervaring noemen sommigen een 'tweede zegen' (second blessing). Deze ervaring hoeft niet gesystematiseerd te worden of voorgeschreven. Waarschijnlijk is hij het gevolg van verkeerd onderwijs over de goede gaven van God, zodat, wanneer de gelovige nieuwe dingen leert over God, Zijn Zoon of Zijn Geest, er ook een nieuwe 'toevoer' van genade tot hem komt. Deze genade behoorde al tot zijn bezit (Ef 1,3), maar ze wordt nu werkelijk ervaren. Niet alles wordt in één keer geleerd. Of deze ervaring is een blijk van de goedheid van God, die de kraan van zegen in één keer open zet.