vrijdag 20 november 2015

John Stott: onderwijzende gaven het meest waardevol

Sommige gaven zijn volgens Bijbelleraar John Stott waardevoller dan anderen. 

'We zagen dat we van geen enkele gave te gering mogen denken. Tegelijk roept de bijbel ons op te 'streven naar de hoogste gaven' (1 Cor. 12:13). Op grond waarvan kunnen we nagaan of de ene gave belangrijker, 'hoger' is dan de andere? Het enige mogelijke antwoord is dat we het moeten bepalen 'naar de mate van waarin zij de gemeente opbouwen'. Alle charismata worden gegeven voor de opbouw van individuele gelovigen en de hele gemeente. Hoe 'opbouwender' een gave, des te waardevoller zij is. Paulus is hierover heel helder: 'Zo moet ook gij, omdat gij naar geestelijke gaven streeft, trachten uit te munten tot stichting van de gemeente' (1 Cor. 14:12).
Naar deze maatstaf gerekend zijn de onderwijzende gaven het meest waardevol, want niets bouw de christenen zo op als Gods waarheid. Het is daarom niet verwonderlijk dat de gave of de gaven van het onderricht bovenaan staan in alle vijf gavenlijsten in het Nieuwe Testament. De apostel geeft aan het onderwijs hoge prioriteit. Dat moet ons als huidige gemeente veel te zeggen hebben. Over de hele wereld zien we hoe gemeenten geestelijk ondervoed zijn vanwege een gebrek aan goede uitleggers en verkondigers van de bijbel. Waar de gemeenten sterk in aantal groeien, schreeuwt men om leraren die de nieuwe bekeerlingen kunnen onderrichten. Vanwege het grote gebrek aan leraren laten veel mensen zich jammer genoeg in beslag nemen, ja zelfs van de kern van het evangelie afleiden door gaven die veel minder belangrijk zijn.' (John Stott, Doop en vervulling met de Heilige Geest, p.121-122)

Andrew Page, How to Teach the Bible so that People Meet God

Afgelopen zomer dit boekske gelezen. Het is eenvoudig, helder, compact en aansprekend. (Alleen een beetje voor 63 pagina's paperback.) 
Ik werd erdoor aangesproken vanwege de verbinding tussen Bijbelonderwijs en de levensveranderende genade van God. Als er ook maar iets is dat het leven van mensen kan veranderen, dan is dat het Woord van God. Als je onderwijs uit de Bijbel geeft, dan is er dus een grote kans dat mensen worden aangesproken, en dat ze een ontmoeting met God hebben. 
Echter, dat is geen vanzelfsprekend gebeuren, waarbij je rustig met je armen over elkaar kunt gaan zitten en laconiek denken: 't zal wel goed komen. Hieronder een aantal citaten met tips van Andrew Page hoe dan wel. 

Voorbereiding als worship!
"What I can do is encourage you to do all your preparation and all your teaching as worship to God. Open yourself up to the Holy Spirit: allow him to use truth to touch you and move you.
If your preparation is just academic, your teaching will be just academic too. But if you are meeting God as you prepare, that will come through in your teaching." (p.46)

Wow! Dus we mogen alles wat we ontdekken, wat ons in de schoot geworpen worden als studenten van de Bijbel, teruggeven aan God in aanbidding!

Wie zelf God ontmoet, wil graag dat anderen ook God ontmoeten
"Bible teaching is not only about information. It is about encounter. If you have ever had the experience of knowing that God was speaking to you through the Bible, then you long for others to hear God too." (p.59)

Jazeker, dat is waar ik naar verlang. Pass it on. 

Twee dingen tegelijk: luisteren/spreken en bidden
"Now of course I cannot create an encounter with God. But what I can do – with the Spirit’s help – is play my part in creating a situation in which it is more likely that people will meet God.
And a key part of that is encouraging people to pray, and to keep praying, as they hear the word of God.
As a Bible teacher I try to do two things at once too. At the same time as I speak the word of God I want to be able to be asking God to speak into the hearts of my listeners. So that they know they are meeting God." (p.60)

Dat vind ik nou evenwichtig. Je kunt het zelf niet bewerkstelligen, je bent maar mens. Maar je kunt er wel om bidden, je ervoor openstellen. En ook je hoorders kunnen dat.

Een bovennatuurlijke gebeurtenis
"I called this book How to Teach the Bible so that People Meet God – and that is an astonishing thing to aim at.
We cannot create an encounter with God. Only the Holy Spirit can do that.
But if what he uses more than anything to change people’s lives is the Bible, Bible teachers have an amazing privilege. As they teach God’s word the Holy Spirit may choose to make this a supernatural event." (p.62)

Een geweldig voorrecht om Bijbelleraar te mogen zijn! Als God het gebruikt, dan verandert er iets, sterker nog: personen veranderen.  



zaterdag 14 april 2012

Preaching Christ

Ergens in januari 2012 luisterde ik een lezing van Dr. Sinclair Ferguson over ‘Preaching Christ’.[1] De lezing trof me. Verschillende dingen kwamen binnen.

Allereerst las hij het gedeelte van de Emmaüsgangers (Lukas 24), een gedeelte waar ik een tijd daarvoor ook mee bezig was geweest. Het hart van deze mannen die eerst zo mismoedig waren en twijfelden werd warm en brandend toen zij met Christus spraken op de weg, en toen Hij voor hen de Schriften opende. De Schriften die getuigden over Hemzelf. Ferguson zei dat het centrum van christelijke prediking is dat we Christus prediken. Een open deur. Maar blijkens de praktijk niet zo vanzelfsprekend als het klinkt. Want het is gelijk ook één van de zwaktes in het hedendaagse spectrum van evangelical prediking wereldwijd dat Christus niet centraal lijkt te staan. Het gaat allemaal over dingen rondom Hem, maar het moet om Hem gaan.

Hij sloot deze lezing af door te zeggen dat elke prediker zo zijn eigen gave heeft en last voelt.

‘But there should be no preacher and no individual for whom all the elements of the burden are not tied together with an overwhelming burden to preach Jesus Christ.’ En dit komt doordat we een hart en geest voor de persoon van Jezus Christus hebben. ‘And when we have these two things together: an understanding that it is by seeing Jesus Christ in all the Scriptures that hearts will be strangely warmed as Jesus Christ preaches Himself in the Scriptures, to those who do not know Him and to those who already know Him, that our ministries, like the best ministries in the Christian church, will be ministries known, because they are focused on Christ, centered on Christ, preaching Christ, magnifying Christ, glorifying Christ.’ ‘… Let me say to myself and say it to you: if I’m not doing that in my ministry, what on earth am I doing in the ministry?’

Dit heeft mijn hart inderdaad verwarmd. Ik bleef stil achter met mijn MP3-speler in de hand. De woorden klonken na: een overweldigende last om Christus te preken. Zijn Naam te verkondigen. Ik kon niets beters bedenken dan om te doen. En er zat ook een grote bemoediging in, want Hij was het Zelf die de Schriften ontsloot, en zo het hart van Zijn volgelingen verwarmde. Zo kon het ook. Christus moest verkondigd worden, maar Hij kan ook verkondigd worden! En ik wilde dat doen. Ik geloof dat God me hierdoor heeft aangesproken.

zaterdag 14 januari 2012

Vreemdelingschap (7)

Principes van de vreemdeling in 1 Petrus


1. Een vreemdeling is iemand die wedergeboren is (1:3) en gekocht door het bloed van Christus (1:18-19).

2. Vreemdeling zijn betekent tijdelijk op aarde zijn. Uitzicht hebben op het eeuwige, hemelse leven, verlangen naar de erfenis (1:3-5; 2:11, vanuit de Griekse woorden; 3:9; 4:7, 4:13, 5:1, 5:4, 5:6, 5:10). Het betekent dan ook leven in geloof en hoop in de Onzienlijke (1:8 ), in verwachting van Zijn openbaring (1:7,13; 4:13).

3. Een vreemdeling is iemand die zijn identiteit in een andere groep dan in aardse verbanden gevonden heeft. Een christen is onderdeel van het volk van God (2:10), als een levende steen in dat gebouw gemetseld (2:4-5).

4. Vreemdeling zijn betekent je anders gedragen dan je vroegere, zondige leven (1:16-17, 2:11, 4:1-3). Het betekent heilig en onbesproken leven (2:12), zodat je mensen niet de gelegenheid biedt om kwaad over je te spreken, sterker nog: zodat je kwaadsprekerij de mond snoert (2:15), en zelfs door je goede levenswandel beschaamd worden (3:16); mogelijk zelfs dat ze daardoor God gaan verheerlijken (2:12).

Deze levenswandel zal echter ook de bevreemding oproepen van ongelovigen, wanneer ze merken dat je niet met hen meedoet in hun uitspattingen (4:4).

5. Een vreemdeling op aarde betekent dat je allereerst gericht bent op rekenschap afleggen aan God en Hem te vrezen (1:17). Hij staat op nr. 1. Hoewel vrije mensen toch ben je dienstknecht van God (2:16).

6. Een vreemdeling zijn betekent Christus navolgen, in Zijn lijden (4:13-14) en in Zijn goeddoen (2:19-25; 3:17-18).

7. Een vreemdeling op aarde zijn betekent niet je taak verwaarlozen, maar juist je taak waarnemen: in waakzaamheid bidden (4:7), liefhebben (4:8), gastvrij (4:9) en onderdanig zijn (2:13-17), Gods daden verkondigen aan ongelovigen (2:9).

Een christen die als vreemdeling op aarde leeft, is geen opstandige of afzijdige burger, maar omwille van de Heere een burger onderdanig aan de menselijke orde (2:13-17).

Vreemdeling zijn betekent ook niet weggaan uit het maatschappelijke leven, anders hebben al die vermaningen van Petrus geen zin (2:12 uw wandel onder de heidenen).

8. Een vreemdeling is niet gericht op het uiterlijke, maar op het innerlijke (bijv. een goed geweten, 3:16, 21) dat zich uit in goede daden, en om zo anderen aan te trekken naar Christus (aanstekelijk christenzijn) (3:1-2).

maandag 2 januari 2012

Vreemdelingschap (6)

6


Jezus was ook een vreemdeling. Sterker nog, men kan Hem typeren als ‘de vreemdeling bij uitstek’. (M. van Leeuwen, p.34) Zijn werkelijke thuis was bij God, daardoor was Hij vreemdeling op aarde. Jahweh was een vreemdeling geworden in Zijn eigen wereld, Zijn eigen schepping. (zie Jer. 14:8) ‘Hij is gekomen tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet ontvangen.’ (Joh. 1:12)


Hij was niet welkom. Van geboorte tot dood bleek Zijn vreemdelingschap. Geboren in een stal, ‘omdat er voor hen geen plaats was in de herberg.’ (Lk. 2:7) En aan het einde van Zijn leven – wat niet het einde bleek te zijn! – hangt Hij aan een kruis, als een vervloekte en verworpene. Hij zegt het zelf dat ‘de vossen hebben holen, en de vogels in de lucht nesten, maar de Zoon des mensen heeft niets waarop Hij het hoofd kan neerleggen.’ (Mt. 8:20; Lk. 9:58)


De wereld kende Hem niet (Joh. 1:10). De meeste Joden dachten te weten wie Hij was en waar Hij vandaan kwam, maar ze misten het diepste geheim: de verbinding tussen Jezus en Zijn Vader (Joh. 7). Hij vertrouwde zichzelf niet toe aan de massa, omdat Hij hen allen kende, en wist wat er in de mens omgaat. (Joh. 2:24-25)


Jezus was een vreemde. Hij was anders. Niet omdat Hij anders wilde zijn, maar omdat Hij Zichzelf wilde zijn. En in dat zoeken om Zichzelf te zijn, leefde Hij de wil van Zijn Vader uit. Hij was vreemd, omdat Hij het vreemde opzocht. Uit liefde keerde Hij Zicht tot het verlorene, het verstotene, het verachte, het getekende, het miskende, degenen zonder gezicht. Jezus identificeerde zich met de vreemdelingen, de mensen die erbuiten vielen. In Mt. 25:35 zegt Hij: ‘Ik was een vreemdeling en u hebt Mij gastvrij onthaald.’


Juist het feit dat Hij zich niet stoorde aan de gangbare definities van eigen en vreemd, van wie erbij horen en wie niet, maakte dat men zich aan Hem ergerde. (M. van Leeuwen, p.35) Andersom zou je ook kunnen zeggen dat Hij die in deze wereld kwam als een thuisloos Iemand, Zich daarom alleen maar bij het ontheemde thuis voelde. (internetbron)


Jezus draaide graag de rollen om. ‘Een vreemdeling, die van ver komt, kan je leren wie de naaste is en degenen van wie je dacht dat ze nabij waren, blijken soms vreemden te zijn.’ (M. van Leeuwen, p.36) Degenen die denken binnen te zijn, staan in werkelijkheid buiten, en degenen die buiten staan, verwelkomt Hij gastvrij binnen. (Mt. 22:1-14)


Niet alleen in Zijn doen en laten, ook in Zijn spreken was Hij voor velen een vreemde. ‘Wanneer hij sprak, vanuit een wijsheid die rechtstreeks van God kwam, stuitte hij dan ook voortdurend op onbegrip. Zijn toehoorders dachten aards, híj hemels. (M. van Leeuwen, p.35) Eerst leken velen in Hem te geloven, maar toen Hij over Zichzelf sprak als over het ware Brood dat uit de hemel is neergedaald, en dat je tot je moet nemen om werkelijk te leven en verzadigd te raken, haakten velen geërgerd af. Ze zeiden: ‘Dit woord is hard; wie kan het aanhoren?’ (Joh. 6:60)


De ultieme afwijzing was de kruisiging. Daar bleek het scherpst dat Hij niet welkom was. Wanneer je het op je in laat werken dat Jezus Zijn hele leven Zich een vreemde heeft gevoeld bij de mensen die Hij gemaakt had, dat Hij Zich eenzaam en verlaten heeft gevoeld, dat Hij Zich nergens werkelijk thuis heeft gevoeld (misschien in Bethanië?), Zich niet begrepen heeft gevoeld, dan word je stil, en lijd je een klein beetje met Hem mee. Niet dat Hij dat nodig heeft. Het is eerder dat we Zijn medelijden nodig hebben. En dat is ook mogelijk geworden. We weten nu immers dat Hij op elke wijze als wij is verzocht geweest (Heb.4:15), ook in deze miskende vereenzaming en desolate vreemdelingschap.


De vraag dringt zich op hoe het eigenlijk kan dat Iemand die zo puur liefheeft door de wereld wordt uitgespuugd. Door Michael Card wordt deze vraag als volgt verwoord:


And why did there have to be thorny

Crown pressed upon His head?

It should have been the royal one

Made of jewels and gold instead.


It had to be a crown of thorns

Because in this life that we live

For all who seek to love

A thorn is all the world has to give.


- Michael Card, ‘Why?’


Hét antwoord op deze waaromvraag is niet te geven.

Wat in elk geval te zeggen valt, is dat de wereld niet zit te wachten op iemand die radicaal liefheeft. Uiteindelijk zal degene die liefheeft worden uitgestoten.

Misschien is het omdat deze zuivere vorm van liefde de wereld aanklaagt in het geweten, dat zij zelf zo niet met mensen omgaat.

Misschien is het omdat de wereld door de missie van deze Man, die de wereld van zonde wilde redden, haar eigen zondigheid gewaar werd, en in een poging om deze aanklacht te smoren de stille Aanklager zelf vermoordde.

Misschien dat Zijn woorden voor de wereld te hard waren (Joh. 6:60). In elk geval verklaarde openlijk Jezus dat wat de wereld doet, slecht is (Joh. 7:7).

Eén ding staat vast: de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht, want hun daden waren slecht (Joh. 3:19). En dit principe geldt nog steeds. Vanuit die afkeer van het licht heeft de duisternis gepoogd het Licht uit te doven, wat wel even gelukt leek te zijn, maar uiteindelijk heeft het Licht getriomfeerd. (Joh. 1:5)

We mogen voor de keren dat er boven ‘de wereld’ staat wel ‘wij’ invullen. Ook wij wilden niet dat Hij koning over ons was. (Lk. 19:14) We hebben liever niet dat Vreemdeling Jezus ons onrustig maakt, ons confronteert met onze scheve manieren van doen door Zijn rechtvaardig leven te laten schijnen te midden van onze donkere levens.


In Lk.24:13-35 ondergaat Jezus een gedaanteverwisseling. De zgn. Emmaüsgangers herkennen Hem eerst niet. Eigenlijk zit ‘m dat niet in de gedaante van Jezus, maar in het feit dat hun ogen worden belet om Hem in Zijn ware identiteit te zien (vs. 16). Later herkennen zij Hem namelijk wel, en dat is dan omdat hun ogen worden geopend (vs. 31). De metamorfose vond dus niet zozeer plaats in Jezus, als wel in de ogen van Zijn discipelen!

Er vindt in dit gedeelte nog een metamorfose plaats. Jezus laat Zich verbidden om hun gast te zijn (vs. 29). Maar plotseling verandert Hij zijn rol: ‘En het gebeurde, toen Hij met hen aan tafel aanlag, dat Hij het brood nam en het zegende. En toen Hij het gebroken had, gaf Hij het aan hen.’ (30)

Wonderlijk! Jezus verandert van een gast in een gastheer, die het brood neemt, het zegent, en het uitdeelt. Misschien was dat het wel waarom op dat moment hun ogen open gingen. Omdat ze in deze soevereine uitdeler van het brood - misschien bij wijze van associatie met het brood - Degene herkenden die de uitdeler was van hét Brood, Zichzelf, dat leven moest bieden aan de wereld (Joh. 6:51). Misschien was het alleen al de gezaghebbende manier waarop Hij deze handeling naar Zich toe trok en uitvoerde die hen de ogen deed openen.

In elk geval: Jezus, de vreemdeling, de gast, Hij kan ook gastheer zijn.

Een pastoor verwoordt het zo:


“De Jezus uit het Lucasevangelie is een zwerverstype, een vreemdeling die nergens op aarde helemaal en blijvend thuis is, wiens thuis elders is, bij God, bij zijn Vader in de hemel. Een reiziger die altijd en overal is overgeleverd aan de gastvrijheid van mensen. Maar hier, bij het breken van het brood, keert Lucas de rollen om: Jezus ontpopt zich als gastheer. In de eucharistie zit Híj de maaltijd voor, Híj neemt brood, Híj spreekt de zegen uit, Híj reikt het brood aan.

Op dat moment gaan de geloofsogen van die twee leerlingen helemaal open en krijgt die vreemdeling een gezicht: zij herkennen in hem de Verrezen Heer. Het blote feit van de maaltijd krijgt nu voor hen symboolwaarde: het is voor hen teken geworden van Gods blijvende aanwezigheid onder mensen. Daarmee heeft de Verrezene bereikt wat Hij beoogde, en kan Hij zich terugtrekken, daar waar Hij thuis is.” (internetbron)



Voor ons heeft het grote waarde dat Jezus vreemdeling was op aarde, de vreemdeling bij uitstek, de Meestervreemdeling. Waarom? Om een aantal redenen.


1. Hij verliet Zijn hemels thuis, en begaf Zich op vreemde grond en bezet terrein, om plaats voor ons te bereiden in de hemel. Zoals het klassieke avondmaalsformulier zegt: ‘Hij is door God verlaten, opdat wij nooit meer door God verlaten zouden worden’, zo kan het ook gezegd worden: ‘Hij een vreemdeling geworden, opdat wij nooit meer vreemdeling hoeven te zijn’. Wij, die van God vervreemd waren, heeft Hij willen verzoenen met God. Hij heeft onze vreemdelingschap op Zich genomen; onze vervreemding heeft Hij gedragen (naar Jes. 53:4).

Als verloren zonen en dochters heeft Hij ons weer thuisgebracht bij God (Lk. 15; 1 Pe.3:18). Hij heeft ons weer tot vriend van God gemaakt. Hij heeft de afstand weggenomen, en ons van vreemdeling van het verbond ermee vertrouwd gemaakt. (Ef. 2:11-22)

Jezus werd vreemdeling, opdat wij geen vreemdelingen meer hoeven te zijn.


2. Hij werd vreemdeling, zodat Hij uit ervaring weet wij kunnen doormaken als vreemden en uitgestotenen. Dit betreft niet het vreemdelingschap tegenover God, maar meer het sociale en emotionele vreemdelingschap, dat ons overkomt als gevolg van wat mensen elkaar aandoen. Ook dat wilde Jezus dragen. Ook die vervreemding wilde Hij ervaren. Het feit dat Hij Zich identificeerde met het uitschot, met het vreemde, mag voor ons een troost zijn, in de wetenschap dat Hij Zich ook met ons identificeert in de gebieden van ons leven waar wij ons ontheemd voelen, miskend, uitgesloten en verlaten. Wanneer wij ons een vreemde voelen, en als een vreemde behandeld, mogen wij Jezus naast ons weten, die met ons kan meevoelen (Hebr. 4:15).


3. Jezus heeft ons een voorbeeld nagelaten hoe wij met vreemdelingen om moeten gaan. Allereerst kunnen wij vreemdelingen niet slecht behandelen, omdat we dan in de rug steken van Degene die vreemdeling bij uitstek is. Als het ware doen we Zijn ‘soort’ geweld aan. Maar ten andere kunnen we dit ook niet doen, omdat Hij Zich identificeert met vreemdelingen (Mt. 25) en omdat Hij zelf in de praktijk heeft laten zien hoe in liefde en gastvrijheid om te gaan met hen die volgens de sociale (en morele?) wetten er buiten staan.


4. Het volgen van de vreemdeling Jezus leidt tot onze vreemdelingschap. Omdat wij Jezus volgen, worden ook wij vreemdelingen, en worden ook wij gehaat (Joh. 15:18-21). In de wereld zullen jullie verdrukking hebben, zegt Hij, maar Hij geeft er als bemoediging dan ook bij dat Hij de wereld overwonnen heeft. (Joh. 16:33)

Hoe die vreemde navolging gestalte moet krijgen, is mooi onderwerp voor een volgend stukje. Tipje van de sluier: er zijn mensen geweest – en wie weet zijn die er nog steeds! - die meenden dat de beste manier om gestalte te geven aan de navolging van Jezus was om ook zoals Hij zonder vaste verblijfplaats rond te zwerven.



Literatuur
M. van Leeuwen, 'Een vreemdeling ben ik, bij u te gast...', in: De vreemdeling en de Bijbel, Amsterdam 2007

vrijdag 30 december 2011

Vreemdelingschap (5)

5

Deze ene vreemdeling is de andere niet. Dat maakt het moeilijk om generaliserend over ‘de vreemdeling’ te spreken. Dat generaliserende is nu juist ook het probleem onder angst voor de vreemdeling. Hele groepen worden over één kam geschoren. Binnen een bepaalde groep vreemdelingen zijn al verschillen, en tussen die groepen ook nog eens.

In het Oude Testament kom je eigenlijk 3 hoofdtypen vreemdelingen tegen, te onderscheiden volgens 3 verschillende Hebreeuwse woorden.

(1) De גֵּר (ger). Dit is de vreemdeling die in het liefdegebod van Lev. 19:34 wordt genoemd. Hij heeft zijn plaats gevonden te midden van de Israëlieten, en staat open voor hun wetten.[1] Dezelfde wet als voor Israël geldt, geldt op vele plaatsen ook voor deze vreemdeling (zie bijv. Lev. 17:12; in andere gevallen geldt er weer onderscheid: Deut. 14:21).

(2) De נָכְרִ֔י (nochri). Deze wordt in een adem genoemd met de ger in Deut 14:21. Het is de buitenlander, die geen deel uitmaakt van de bevolking.

(3) De זָ֣ר (zaar). Deze benaming is over het algemeen negatief. Het gaat over buitenlanders die een bedreiging vormen voor het volk. Zoals in Jes. 1:7, mensen die profiteren van je nederlaag.



[1] K. Spronk, ‘Vriend, vijand en voorbeeld: de vreemdeling en het Oude Testament’, p.24