dinsdag 24 augustus 2010

Galaten pakt wetticisten en antinomianen bij de kraag en vertelt wat vrijheid werkelijk is

Het beseffen en doorleven van Christus’ dood is naar twee kanten toe belangrijk: naar wetticisme en naar praktisch antinomianisme (Engels: licentiousness).
Wetticisten neigen ertoe de dood van Christus voor niets te laten zijn. ‘Als er gerechtigheid door de wet zou zijn, dan was Christus tevergeefs gestorven.’ (2,21)
Antinomianen gaan door het niet zo nauw te nemen met de zonde eraan voorbij wat het Christus gekost heeft: Hij heeft mij liefgehad en heeft Zich voor mij overgeven (2,20).
Paulus predikt aan de Galaten de vrijheid, maar dat moet er niet toe leiden dat ze van de weeromstuit de vrijheid gebruiken om maar hun eigen verlangens te bevredigen! (5,13)

Christus’ dood en opstanding maken vrij. Vrij van de wet en vrij om voor God te leven (2,19).

Een vrijheid die dichtbij Gods hart wordt geleefd, maakt niet eigenzinnig en onverantwoordelijk, maar wordt gekenmerkt door liefde.

woensdag 18 augustus 2010

De verzoeking en de uitdaging

Jezus moet deze strijd ook gekend hebben. Om niet de mensen naar de oren te praten, om niet naar hun pijpen te dansen, maar in afhankelijkheid van Zijn hemelse Vader Diens wil zoeken en uitvoeren. De verzoeker probeerde Hem van dit pad af te helpen, maar Hij wederstond hem (Lk 4). Het was makkelijker geweest de snelweg van menselijke roem en glorie te gaan in plaats van de harde weg van het kruis. De wil van God doen snijdt in het vlees.
Hoe anders stelden de meeste leiders van Israël uit die tijd zich op. Naar het uiterlijk de wil van God doen, en tot in details, maar met als motivatie om door de mensen gezien te worden. Deze Jezus was hen een doorn in het oog, omdat Hij door Zijn waarde totaal op God af te stemmen radicaal een andere weg bewandelde en zo hun weg als een holle geste aan de kaak stelde. Wanneer het volk deze ontmaskering zou gaan beseffen, kon dit wel eens hun positie kosten. Zij vreesden het volk, omdat het volk belangrijk was voor het hooghouden van hun eigen positie.

Een prediker staat voor de uitdaging om het Evangelie van Christus 'recht te snijden.' In deze context betekent dat niet toe te geven aan wat mensen willen horen en niet willen horen. Niet zozeer in dit principe maar in de slag naar de praktijk die vanuit dit principe moet worden gemaakt, schuilt de moeilijkheid. Want praktisch betekent dit wel dat Gods Woord in al Zijn scherpte niet met een botheid moet worden gebracht, maar ook met pastorale zuiverheid en invoelendheid. In liefde de waarheid verkondigen is een evenwicht dat moet worden geleerd, soms door schade en schande heen.
Wanneer een prediker weet heeft van een bepaalde misstand in een gemeente - ik zeg dit zonder zelf aan iets specifieks te denken - staat hij onder de verplichting daar vanuit het Woord iets over te zeggen. Hoe moeilijk kan dit zijn! Voor jonge predikers, omdat zij hun leeftijd niet mee hebben, en nog weinig worteling en goodwill hebben binnen de gemeente. Maar ook voor ervaren predikers, omdat zij juist misschien teveel goodwill hebben en hieraan misschien graag willen vasthouden! Juist zij die een bepaalde band hebben gekregen met de gemeente, weten wat er leeft, en hoe gevoelig iets ligt, en zullen er des te terughoudender over zijn hierover te spreken.
Ook hierin is Jezus het volmaakte en daarom zo onnavolgbaar lijkende voorbeeld. Hij schuwde niet de mensen die dichtbij Hem stonden te vermanen, te bestraffen, en hun innerlijke motieven bloot te leggen (Joh 6). Hij deinsde er niet voor terug om de leiders publiekelijk de waarheid te zeggen.
Zoals gezegd: elke prediker staat voor de uitdaging om de scherpte van het volle Evangelie te brengen. Maar dit geldt ook voor elke gelovige. We hebben ons de vraag te stellen: weerspiegelen ons leven en onze woorden de scherpte en de radicaliteit van het Evangelie?

Een tijdlang heb ik ermee gezeten hoe we al die teksten van het NT nu moesten plaatsen die erover gaan dat wie christelijk willen leven zeker zullen worden vervolgd. In een westerse context is er toch helemaal geen vervolging? Ik denk dat een deel van het antwoord in het bovenstaande ligt. Je kruis op je nemen is de weg gaan van het kruis, niet de weg gaan van de menselijke credits.
Zonder een geestelijk masochist te worden die het lijden en de spot over zich afroept. Want vreemd genoeg is dat laatste ook een verschijnsel van het vermogen van de mens zichzelf in de spotlights te zetten en zo op enigerleiwijze toch zichzelf te handhaven.

Bid dat we deze scherpte van het Evangelie weer mogen ontdekken.

Petrus vreesde mensen en wilde hen behagen

vervolg op: Zelfliefde, mensenvrees, mensen behagen

De werking van deze mechanismen zien we terug in Galaten 2. Daar spreekt Paulus over de apostel Petrus, de Rotsman, bekend vanwege zijn onbesuisdheid. In zijn vuur wilde hij wel naar Jezus toe, over het water. Hij wist in zijn voorkomendheid Jezus te vermanen dat deze geenszins de kruisdood tegemoet moest gaan. In hetzelfde vuur om Jezus te beschermen hakte hij iemand een oor af. Welnu, bepaald geen type dat een blad voor de mond nam en die je ervan kunt beschuldigen bang voor mensen te zijn.
Niettemin heeft hij gezegd Jezus niet te kennen, tot driemaal toe. Dat heeft hem later bijzonder gespeten, maar niettemin: hij heeft Jezus verloochend. Toen het vuur hem aan de schenen werd gelegd, haakte hij af. Gelukkig had Jezus voor zijn geloof gebeden, waardoor het stand hield.
Dezelfde Petrus stond op de Pinksterdag op om onverschrokken van Jezus te getuigen. Ook in de gebeurtenissen daarna was hij doortrokken van een onverschrokkenheid en vrijmoedigheid.
Echter, wanneer we ons afvragen waar Petrus deze vrijmoedigheid aan te danken had, moet het antwoord zijn: aan de Heilige Geest. Petrus was/werd vervuld door de Heilige Geest en dit zette hem ertoe aan het Woord met vrijmoedigheid te spreken.
Nu is deze vervulling door de Heilige Geest geen garantie voor permanent succes. De levens van vele christenen getuigen ervan dat zij fouten kunnen maken na hun bekering en na meerdere malen door de Geest te zijn vervuld.

In Galaten 2 gaat Petrus ook grondig de mist in. Uit vrees voor degenen die van de besnijdenis waren trok hij zich terug en zonderde hij zich af van de heidenen, met wie hij eerst onbekommerd had samen gegeten. Dat had wel enige moeite gekost om hem zover te krijgen (Hand.10), maar daarna leek hij toch pal voor deze ontdekking te staan, dat ook voor de heidenen het Evangelie was bedoeld en dat God geen onderscheid maakte tussen mensen.
Nadat Petrus op deze manier door de Heilige Geest in de ruimte was gezet, raakte hij zelf weer bekrompen in zijn geweten. En dat alles vanwege mensenvrees.
Petrus wilde graag in tel blijven bij degenen die van Jakobus kwamen. Antiochië was niet zijn vaste plaats, maar Jeruzalem. Zich bedenkende dat dit vrije gedrag wel eens aftrek van credits in Jeruzalem kon betekenen, trok hij de consequenties, en koos voor zichzelf.
Hij koos ervoor zichzelf te handhaven, en viel daarmee de onvoorwaardelijke reikwijdte van het Evangelie op dit punt af.
Het principe van het zuivere Evangelie, dat geen onderscheid maakt, had hij vast moeten houden. In plaats daarvoor onderwierp hij zich aan de mening van mensen.

De vrijheid van een christenmens is gebonden aan de vrijheid van Evangelie. Wanneer we ons slaven maken van de mening van mensen, verliezen we de vrijheid van Evangelie, en raken we gebonden aan mensen. Soms zelfs zozeer dat we verslaafd raken aan de goedkeuring van mensen.

De vrijheid van het zich onderwerpen aan de principes van het Evangelie staat tegenover de slaafsheid van het zich binden aan de goedkeuring van mensen.
Overigens staat daarmee niet het principe vijandig tegenover de mens. Het Evangelie is niet overeenkomstig het denken van de mens; dat wil nog niet zeggen dat het Evangelie vijandig staat tegenover de mens.
Sterker nog, het Evangelie komt op voor die groep mensen die onderdrukt worden of achtergesteld. Zoals de heidenen in Galaten 2. Want in onze ijver om goed over te komen op een bepaalde machtige groep mensen kunnen we zomaar een andere groep onder de voet lopen. Dit alles wordt ingegeven door zelfbehoud.
We zien dit vaak in hiërarchische situaties, zoals op de werkvloer. Likken naar boven, trappen naar onderen. Alles om zelf een betere positie te krijgen.
Het nare is dat we ons hier niet van bewust zijn.
Wanneer we ons werkelijk richten op hoe God over ons denkt, en niet hoe mensen over ons denken, worden we vrij om werkelijk voor iedereen het goede te zoeken, en niet alleen voor hen die in ons straatje passen. Gods straatje is immers altijd groter.