6
Jezus was ook een vreemdeling. Sterker nog, men kan Hem typeren als ‘de vreemdeling bij uitstek’. (M. van Leeuwen, p.34) Zijn werkelijke thuis was bij God, daardoor was Hij vreemdeling op aarde. Jahweh was een vreemdeling geworden in Zijn eigen wereld, Zijn eigen schepping. (zie Jer. 14:8) ‘Hij is gekomen tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet ontvangen.’ (Joh. 1:12)
Hij was niet welkom. Van geboorte tot dood bleek Zijn vreemdelingschap. Geboren in een stal, ‘omdat er voor hen geen plaats was in de herberg.’ (Lk. 2:7) En aan het einde van Zijn leven – wat niet het einde bleek te zijn! – hangt Hij aan een kruis, als een vervloekte en verworpene. Hij zegt het zelf dat ‘de vossen hebben holen, en de vogels in de lucht nesten, maar de Zoon des mensen heeft niets waarop Hij het hoofd kan neerleggen.’ (Mt. 8:20; Lk. 9:58)
De wereld kende Hem niet (Joh. 1:10). De meeste Joden dachten te weten wie Hij was en waar Hij vandaan kwam, maar ze misten het diepste geheim: de verbinding tussen Jezus en Zijn Vader (Joh. 7). Hij vertrouwde zichzelf niet toe aan de massa, omdat Hij hen allen kende, en wist wat er in de mens omgaat. (Joh. 2:24-25)
Jezus was een vreemde. Hij was anders. Niet omdat Hij anders wilde zijn, maar omdat Hij Zichzelf wilde zijn. En in dat zoeken om Zichzelf te zijn, leefde Hij de wil van Zijn Vader uit. Hij was vreemd, omdat Hij het vreemde opzocht. Uit liefde keerde Hij Zicht tot het verlorene, het verstotene, het verachte, het getekende, het miskende, degenen zonder gezicht. Jezus identificeerde zich met de vreemdelingen, de mensen die erbuiten vielen. In Mt. 25:35 zegt Hij: ‘Ik was een vreemdeling en u hebt Mij gastvrij onthaald.’
Juist het feit dat Hij zich niet stoorde aan de gangbare definities van eigen en vreemd, van wie erbij horen en wie niet, maakte dat men zich aan Hem ergerde. (M. van Leeuwen, p.35) Andersom zou je ook kunnen zeggen dat Hij die in deze wereld kwam als een thuisloos Iemand, Zich daarom alleen maar bij het ontheemde thuis voelde. (internetbron)
Jezus draaide graag de rollen om. ‘Een vreemdeling, die van ver komt, kan je leren wie de naaste is en degenen van wie je dacht dat ze nabij waren, blijken soms vreemden te zijn.’ (M. van Leeuwen, p.36) Degenen die denken binnen te zijn, staan in werkelijkheid buiten, en degenen die buiten staan, verwelkomt Hij gastvrij binnen. (Mt. 22:1-14)
Niet alleen in Zijn doen en laten, ook in Zijn spreken was Hij voor velen een vreemde. ‘Wanneer hij sprak, vanuit een wijsheid die rechtstreeks van God kwam, stuitte hij dan ook voortdurend op onbegrip. Zijn toehoorders dachten aards, híj hemels.’ (M. van Leeuwen, p.35) Eerst leken velen in Hem te geloven, maar toen Hij over Zichzelf sprak als over het ware Brood dat uit de hemel is neergedaald, en dat je tot je moet nemen om werkelijk te leven en verzadigd te raken, haakten velen geërgerd af. Ze zeiden: ‘Dit woord is hard; wie kan het aanhoren?’ (Joh. 6:60)
De ultieme afwijzing was de kruisiging. Daar bleek het scherpst dat Hij niet welkom was. Wanneer je het op je in laat werken dat Jezus Zijn hele leven Zich een vreemde heeft gevoeld bij de mensen die Hij gemaakt had, dat Hij Zich eenzaam en verlaten heeft gevoeld, dat Hij Zich nergens werkelijk thuis heeft gevoeld (misschien in Bethanië?), Zich niet begrepen heeft gevoeld, dan word je stil, en lijd je een klein beetje met Hem mee. Niet dat Hij dat nodig heeft. Het is eerder dat we Zijn medelijden nodig hebben. En dat is ook mogelijk geworden. We weten nu immers dat Hij op elke wijze als wij is verzocht geweest (Heb.4:15), ook in deze miskende vereenzaming en desolate vreemdelingschap.
De vraag dringt zich op hoe het eigenlijk kan dat Iemand die zo puur liefheeft door de wereld wordt uitgespuugd. Door Michael Card wordt deze vraag als volgt verwoord:
And why did there have to be thorny
Crown pressed upon His head?
It should have been the royal one
Made of jewels and gold instead.
It had to be a crown of thorns
Because in this life that we live
For all who seek to love
A thorn is all the world has to give.
- Michael Card, ‘Why?’
Hét antwoord op deze waaromvraag is niet te geven.
Wat in elk geval te zeggen valt, is dat de wereld niet zit te wachten op iemand die radicaal liefheeft. Uiteindelijk zal degene die liefheeft worden uitgestoten.
Misschien is het omdat deze zuivere vorm van liefde de wereld aanklaagt in het geweten, dat zij zelf zo niet met mensen omgaat.
Misschien is het omdat de wereld door de missie van deze Man, die de wereld van zonde wilde redden, haar eigen zondigheid gewaar werd, en in een poging om deze aanklacht te smoren de stille Aanklager zelf vermoordde.
Misschien dat Zijn woorden voor de wereld te hard waren (Joh. 6:60). In elk geval verklaarde openlijk Jezus dat wat de wereld doet, slecht is (Joh. 7:7).
Eén ding staat vast: de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht, want hun daden waren slecht (Joh. 3:19). En dit principe geldt nog steeds. Vanuit die afkeer van het licht heeft de duisternis gepoogd het Licht uit te doven, wat wel even gelukt leek te zijn, maar uiteindelijk heeft het Licht getriomfeerd. (Joh. 1:5)
We mogen voor de keren dat er boven ‘de wereld’ staat wel ‘wij’ invullen. Ook wij wilden niet dat Hij koning over ons was. (Lk. 19:14) We hebben liever niet dat Vreemdeling Jezus ons onrustig maakt, ons confronteert met onze scheve manieren van doen door Zijn rechtvaardig leven te laten schijnen te midden van onze donkere levens.
In Lk.24:13-35 ondergaat Jezus een gedaanteverwisseling. De zgn. Emmaüsgangers herkennen Hem eerst niet. Eigenlijk zit ‘m dat niet in de gedaante van Jezus, maar in het feit dat hun ogen worden belet om Hem in Zijn ware identiteit te zien (vs. 16). Later herkennen zij Hem namelijk wel, en dat is dan omdat hun ogen worden geopend (vs. 31). De metamorfose vond dus niet zozeer plaats in Jezus, als wel in de ogen van Zijn discipelen!
Er vindt in dit gedeelte nog een metamorfose plaats. Jezus laat Zich verbidden om hun gast te zijn (vs. 29). Maar plotseling verandert Hij zijn rol: ‘En het gebeurde, toen Hij met hen aan tafel aanlag, dat Hij het brood nam en het zegende. En toen Hij het gebroken had, gaf Hij het aan hen.’ (30)
Wonderlijk! Jezus verandert van een gast in een gastheer, die het brood neemt, het zegent, en het uitdeelt. Misschien was dat het wel waarom op dat moment hun ogen open gingen. Omdat ze in deze soevereine uitdeler van het brood - misschien bij wijze van associatie met het brood - Degene herkenden die de uitdeler was van hét Brood, Zichzelf, dat leven moest bieden aan de wereld (Joh. 6:51). Misschien was het alleen al de gezaghebbende manier waarop Hij deze handeling naar Zich toe trok en uitvoerde die hen de ogen deed openen.
In elk geval: Jezus, de vreemdeling, de gast, Hij kan ook gastheer zijn.
Een pastoor verwoordt het zo:
“De Jezus uit het Lucasevangelie is een zwerverstype, een vreemdeling die nergens op aarde helemaal en blijvend thuis is, wiens thuis elders is, bij God, bij zijn Vader in de hemel. Een reiziger die altijd en overal is overgeleverd aan de gastvrijheid van mensen. Maar hier, bij het breken van het brood, keert Lucas de rollen om: Jezus ontpopt zich als gastheer. In de eucharistie zit Híj de maaltijd voor, Híj neemt brood, Híj spreekt de zegen uit, Híj reikt het brood aan.
Op dat moment gaan de geloofsogen van die twee leerlingen helemaal open en krijgt die vreemdeling een gezicht: zij herkennen in hem de Verrezen Heer. Het blote feit van de maaltijd krijgt nu voor hen symboolwaarde: het is voor hen teken geworden van Gods blijvende aanwezigheid onder mensen. Daarmee heeft de Verrezene bereikt wat Hij beoogde, en kan Hij zich terugtrekken, daar waar Hij thuis is.” (internetbron)
Voor ons heeft het grote waarde dat Jezus vreemdeling was op aarde, de vreemdeling bij uitstek, de Meestervreemdeling. Waarom? Om een aantal redenen.
1. Hij verliet Zijn hemels thuis, en begaf Zich op vreemde grond en bezet terrein, om plaats voor ons te bereiden in de hemel. Zoals het klassieke avondmaalsformulier zegt: ‘Hij is door God verlaten, opdat wij nooit meer door God verlaten zouden worden’, zo kan het ook gezegd worden: ‘Hij een vreemdeling geworden, opdat wij nooit meer vreemdeling hoeven te zijn’. Wij, die van God vervreemd waren, heeft Hij willen verzoenen met God. Hij heeft onze vreemdelingschap op Zich genomen; onze vervreemding heeft Hij gedragen (naar Jes. 53:4).
Als verloren zonen en dochters heeft Hij ons weer thuisgebracht bij God (Lk. 15; 1 Pe.3:18). Hij heeft ons weer tot vriend van God gemaakt. Hij heeft de afstand weggenomen, en ons van vreemdeling van het verbond ermee vertrouwd gemaakt. (Ef. 2:11-22)
Jezus werd vreemdeling, opdat wij geen vreemdelingen meer hoeven te zijn.
2. Hij werd vreemdeling, zodat Hij uit ervaring weet wij kunnen doormaken als vreemden en uitgestotenen. Dit betreft niet het vreemdelingschap tegenover God, maar meer het sociale en emotionele vreemdelingschap, dat ons overkomt als gevolg van wat mensen elkaar aandoen. Ook dat wilde Jezus dragen. Ook die vervreemding wilde Hij ervaren. Het feit dat Hij Zich identificeerde met het uitschot, met het vreemde, mag voor ons een troost zijn, in de wetenschap dat Hij Zich ook met ons identificeert in de gebieden van ons leven waar wij ons ontheemd voelen, miskend, uitgesloten en verlaten. Wanneer wij ons een vreemde voelen, en als een vreemde behandeld, mogen wij Jezus naast ons weten, die met ons kan meevoelen (Hebr. 4:15).
3. Jezus heeft ons een voorbeeld nagelaten hoe wij met vreemdelingen om moeten gaan. Allereerst kunnen wij vreemdelingen niet slecht behandelen, omdat we dan in de rug steken van Degene die vreemdeling bij uitstek is. Als het ware doen we Zijn ‘soort’ geweld aan. Maar ten andere kunnen we dit ook niet doen, omdat Hij Zich identificeert met vreemdelingen (Mt. 25) en omdat Hij zelf in de praktijk heeft laten zien hoe in liefde en gastvrijheid om te gaan met hen die volgens de sociale (en morele?) wetten er buiten staan.
4. Het volgen van de vreemdeling Jezus leidt tot onze vreemdelingschap. Omdat wij Jezus volgen, worden ook wij vreemdelingen, en worden ook wij gehaat (Joh. 15:18-21). In de wereld zullen jullie verdrukking hebben, zegt Hij, maar Hij geeft er als bemoediging dan ook bij dat Hij de wereld overwonnen heeft. (Joh. 16:33)
Hoe die vreemde navolging gestalte moet krijgen, is mooi onderwerp voor een volgend stukje. Tipje van de sluier: er zijn mensen geweest – en wie weet zijn die er nog steeds! - die meenden dat de beste manier om gestalte te geven aan de navolging van Jezus was om ook zoals Hij zonder vaste verblijfplaats rond te zwerven.
Literatuur
M. van Leeuwen, 'Een vreemdeling ben ik, bij u te gast...', in: De vreemdeling en de Bijbel, Amsterdam 2007