zaterdag 14 januari 2012

Vreemdelingschap (7)

Principes van de vreemdeling in 1 Petrus


1. Een vreemdeling is iemand die wedergeboren is (1:3) en gekocht door het bloed van Christus (1:18-19).

2. Vreemdeling zijn betekent tijdelijk op aarde zijn. Uitzicht hebben op het eeuwige, hemelse leven, verlangen naar de erfenis (1:3-5; 2:11, vanuit de Griekse woorden; 3:9; 4:7, 4:13, 5:1, 5:4, 5:6, 5:10). Het betekent dan ook leven in geloof en hoop in de Onzienlijke (1:8 ), in verwachting van Zijn openbaring (1:7,13; 4:13).

3. Een vreemdeling is iemand die zijn identiteit in een andere groep dan in aardse verbanden gevonden heeft. Een christen is onderdeel van het volk van God (2:10), als een levende steen in dat gebouw gemetseld (2:4-5).

4. Vreemdeling zijn betekent je anders gedragen dan je vroegere, zondige leven (1:16-17, 2:11, 4:1-3). Het betekent heilig en onbesproken leven (2:12), zodat je mensen niet de gelegenheid biedt om kwaad over je te spreken, sterker nog: zodat je kwaadsprekerij de mond snoert (2:15), en zelfs door je goede levenswandel beschaamd worden (3:16); mogelijk zelfs dat ze daardoor God gaan verheerlijken (2:12).

Deze levenswandel zal echter ook de bevreemding oproepen van ongelovigen, wanneer ze merken dat je niet met hen meedoet in hun uitspattingen (4:4).

5. Een vreemdeling op aarde betekent dat je allereerst gericht bent op rekenschap afleggen aan God en Hem te vrezen (1:17). Hij staat op nr. 1. Hoewel vrije mensen toch ben je dienstknecht van God (2:16).

6. Een vreemdeling zijn betekent Christus navolgen, in Zijn lijden (4:13-14) en in Zijn goeddoen (2:19-25; 3:17-18).

7. Een vreemdeling op aarde zijn betekent niet je taak verwaarlozen, maar juist je taak waarnemen: in waakzaamheid bidden (4:7), liefhebben (4:8), gastvrij (4:9) en onderdanig zijn (2:13-17), Gods daden verkondigen aan ongelovigen (2:9).

Een christen die als vreemdeling op aarde leeft, is geen opstandige of afzijdige burger, maar omwille van de Heere een burger onderdanig aan de menselijke orde (2:13-17).

Vreemdeling zijn betekent ook niet weggaan uit het maatschappelijke leven, anders hebben al die vermaningen van Petrus geen zin (2:12 uw wandel onder de heidenen).

8. Een vreemdeling is niet gericht op het uiterlijke, maar op het innerlijke (bijv. een goed geweten, 3:16, 21) dat zich uit in goede daden, en om zo anderen aan te trekken naar Christus (aanstekelijk christenzijn) (3:1-2).

Geen opmerkingen: