vrijdag 30 december 2011

Vreemdelingschap (5)

5

Deze ene vreemdeling is de andere niet. Dat maakt het moeilijk om generaliserend over ‘de vreemdeling’ te spreken. Dat generaliserende is nu juist ook het probleem onder angst voor de vreemdeling. Hele groepen worden over één kam geschoren. Binnen een bepaalde groep vreemdelingen zijn al verschillen, en tussen die groepen ook nog eens.

In het Oude Testament kom je eigenlijk 3 hoofdtypen vreemdelingen tegen, te onderscheiden volgens 3 verschillende Hebreeuwse woorden.

(1) De גֵּר (ger). Dit is de vreemdeling die in het liefdegebod van Lev. 19:34 wordt genoemd. Hij heeft zijn plaats gevonden te midden van de Israëlieten, en staat open voor hun wetten.[1] Dezelfde wet als voor Israël geldt, geldt op vele plaatsen ook voor deze vreemdeling (zie bijv. Lev. 17:12; in andere gevallen geldt er weer onderscheid: Deut. 14:21).

(2) De נָכְרִ֔י (nochri). Deze wordt in een adem genoemd met de ger in Deut 14:21. Het is de buitenlander, die geen deel uitmaakt van de bevolking.

(3) De זָ֣ר (zaar). Deze benaming is over het algemeen negatief. Het gaat over buitenlanders die een bedreiging vormen voor het volk. Zoals in Jes. 1:7, mensen die profiteren van je nederlaag.



[1] K. Spronk, ‘Vriend, vijand en voorbeeld: de vreemdeling en het Oude Testament’, p.24

Geen opmerkingen: