De tekst als aanspraak
De teksten uit de Bijbel zijn geschreven met een bepaald adres. Ze zijn ontstaan vanuit de bedoeling om één of meerdere personen aan te spreken. Bij sommige bijbelboeken is dit adres in de tekst zelf opgenomen. Om enkele voorbeelden te noemen: de brieven van Paulus en de geschriften van Lukas. Bij de laatste is het opvallend dat het adres één persoon kent, terwijl de strekking van het schrijven toch zovele malen wijder is. Men kan zich afvragen of dit een literair construct van Lukas is geweest - zodat hij onder het adres van een al dan niet fictieve Theofilus aan vele niet-Theofili het woord richtte - of dat hij zich eenvoudigweg aanvankelijk alleen tot Theofilus wilde richten, met als neveneffect dat vele anderen ook met de inhoud van het schrijven verrijkt werden. Of misschien is de aanhef alleen als een opschrift te zien, die men los kan maken van de rest van het schrijven, zodat het Evangelie van Lukas los van de aanhef een 'gewoon' Evangelie is zoals dat van Markus. Hoe het ook zij, vele lezers hebben zich in de geschiedenis niet door het opschrift laten weerhouden om het Evangelie van Lukas tot zich te nemen. Op het eerste oog niet tot hen gericht, voelden ze zich door de inhoud niettemin zo aangesproken, dat ze het Evangelie als aan hen gericht - indirect of meer direct - gingen beschouwen. Misschien dat Lukas niet direct een onbekend publiek wilde bereiken - wat gezien zijn universele boodschap (Handelingen: het Evangelie de wereld in) toch moeilijk overeind te houden lijkt -, de Heilige Geest heeft zijn Evangelie dan toch maar willen gebruiken om hen te bereiken, zo moeten zij hebben gedacht.
Een ander geschrift, dat aan één bepaalde persoon is opgedragen is Paulus’ brief aan Filemon. Het bevat een boodschap die minder wijd reikt dan het Evangelie van Lukas, niettemin hebben lezers er toch ook lessen uit getrokken. Woorden aan Filemon gericht hebben zij ook op zichzelf toegepast.
Ik wil graag meer nadenken over de verhouding tussen adressering en aanspraak enerzijds, en toe-eigening - zichzelf bij het adres voegen -, zich aangesproken voelen, op zichzelf toepassen anderzijds. Voor mij is de spanning die er tussen deze twee polen bestaat een fundamenteel onderdeel van het hermeneutisch probleem.
Het hermeneutisch probleem wordt gevormd door de afstand tussen verleden - de tijd van de teksten - en het heden - de situatie van de lezer. Het is problematisch dat we onszelf niet zomaar kunnen verplaatsen (meer of minder letterlijk) in het verleden. Ondanks de informatie die we er van hebben, missen we allerlei gegevens, die voor een volmaakt begrijpen noodzakelijk zijn. Door het missen van deze informatie worden we gehandicapt in het transponeren van de teksten naar vandaag. De vraag naar de actuele gelding van de historische tekst kan niet 1-2-3 beantwoord worden. Hermeneutiek houdt zich onder meer bezig met het overbruggen van deze afstand. Het levert principes voor de gelding.
Adres en gelding en hangen samen. Aan wie iets is geadresseerd, voor die geldt het. Een brief aan mij geschreven, is niet voor mijn ouders bestemd. Mijn naam staat erop, wat er in staat geldt voor mij. Wanneer ergens geen adres op staat, of een adres dat verschilt van onze naam, kunnen we in onzekerheid verkeren of wat er in het schrijven staat voor ons bedoeld is, voor ons geldt.
Voor het geheel van de Bijbel is niet zo moeilijk om het als een ons gericht schrijven op te vatten. In populaire taal wordt wel eens gezegd dat de Bijbel Gods liefdesbrief is. De problemen komen pas wanneer we op onderdelen gaan focussen en gaan vragen: maar dat, geldt dat ook voor ons?
Het toe-eigenen van een tekst die niet direct aan jou gericht is, kan gezien worden als een vorm van gepaste vrijmoedigheid. Vrijmoedigheid is in dat geval een hermeneutische deugd, die ons helpt bij het overbruggen van de kloof tussen toen en nu. In contrast hiermee kan deze toe-eigening zonder toestemming beschouwd worden als een ongepaste brutaliteit, en daarmee als een hermeneutische ondeugd.
Deze overwegingen brengen mij tot de vraag: Welke redenen hebben we voor het ons toe-eigenen van bepaalde teksten in de Bijbel? Wanneer zijn we daartoe ‘entitled’?
Bewust of onbewust hebben we allemaal onze hermeneutische principes, de overbruggings- of geldingsprincipes. Deze functioneren dan als criteria aan de hand waarvan we (bewust of meer onbewust) bepalen of en hoe een tekst voor ons vandaag geldt.
De teksten uit de Bijbel zijn geschreven met een bepaald adres. Ze zijn ontstaan vanuit de bedoeling om één of meerdere personen aan te spreken. Bij sommige bijbelboeken is dit adres in de tekst zelf opgenomen. Om enkele voorbeelden te noemen: de brieven van Paulus en de geschriften van Lukas. Bij de laatste is het opvallend dat het adres één persoon kent, terwijl de strekking van het schrijven toch zovele malen wijder is. Men kan zich afvragen of dit een literair construct van Lukas is geweest - zodat hij onder het adres van een al dan niet fictieve Theofilus aan vele niet-Theofili het woord richtte - of dat hij zich eenvoudigweg aanvankelijk alleen tot Theofilus wilde richten, met als neveneffect dat vele anderen ook met de inhoud van het schrijven verrijkt werden. Of misschien is de aanhef alleen als een opschrift te zien, die men los kan maken van de rest van het schrijven, zodat het Evangelie van Lukas los van de aanhef een 'gewoon' Evangelie is zoals dat van Markus. Hoe het ook zij, vele lezers hebben zich in de geschiedenis niet door het opschrift laten weerhouden om het Evangelie van Lukas tot zich te nemen. Op het eerste oog niet tot hen gericht, voelden ze zich door de inhoud niettemin zo aangesproken, dat ze het Evangelie als aan hen gericht - indirect of meer direct - gingen beschouwen. Misschien dat Lukas niet direct een onbekend publiek wilde bereiken - wat gezien zijn universele boodschap (Handelingen: het Evangelie de wereld in) toch moeilijk overeind te houden lijkt -, de Heilige Geest heeft zijn Evangelie dan toch maar willen gebruiken om hen te bereiken, zo moeten zij hebben gedacht.
Een ander geschrift, dat aan één bepaalde persoon is opgedragen is Paulus’ brief aan Filemon. Het bevat een boodschap die minder wijd reikt dan het Evangelie van Lukas, niettemin hebben lezers er toch ook lessen uit getrokken. Woorden aan Filemon gericht hebben zij ook op zichzelf toegepast.
Ik wil graag meer nadenken over de verhouding tussen adressering en aanspraak enerzijds, en toe-eigening - zichzelf bij het adres voegen -, zich aangesproken voelen, op zichzelf toepassen anderzijds. Voor mij is de spanning die er tussen deze twee polen bestaat een fundamenteel onderdeel van het hermeneutisch probleem.
Het hermeneutisch probleem wordt gevormd door de afstand tussen verleden - de tijd van de teksten - en het heden - de situatie van de lezer. Het is problematisch dat we onszelf niet zomaar kunnen verplaatsen (meer of minder letterlijk) in het verleden. Ondanks de informatie die we er van hebben, missen we allerlei gegevens, die voor een volmaakt begrijpen noodzakelijk zijn. Door het missen van deze informatie worden we gehandicapt in het transponeren van de teksten naar vandaag. De vraag naar de actuele gelding van de historische tekst kan niet 1-2-3 beantwoord worden. Hermeneutiek houdt zich onder meer bezig met het overbruggen van deze afstand. Het levert principes voor de gelding.
Adres en gelding en hangen samen. Aan wie iets is geadresseerd, voor die geldt het. Een brief aan mij geschreven, is niet voor mijn ouders bestemd. Mijn naam staat erop, wat er in staat geldt voor mij. Wanneer ergens geen adres op staat, of een adres dat verschilt van onze naam, kunnen we in onzekerheid verkeren of wat er in het schrijven staat voor ons bedoeld is, voor ons geldt.
Voor het geheel van de Bijbel is niet zo moeilijk om het als een ons gericht schrijven op te vatten. In populaire taal wordt wel eens gezegd dat de Bijbel Gods liefdesbrief is. De problemen komen pas wanneer we op onderdelen gaan focussen en gaan vragen: maar dat, geldt dat ook voor ons?
Het toe-eigenen van een tekst die niet direct aan jou gericht is, kan gezien worden als een vorm van gepaste vrijmoedigheid. Vrijmoedigheid is in dat geval een hermeneutische deugd, die ons helpt bij het overbruggen van de kloof tussen toen en nu. In contrast hiermee kan deze toe-eigening zonder toestemming beschouwd worden als een ongepaste brutaliteit, en daarmee als een hermeneutische ondeugd.
Deze overwegingen brengen mij tot de vraag: Welke redenen hebben we voor het ons toe-eigenen van bepaalde teksten in de Bijbel? Wanneer zijn we daartoe ‘entitled’?
Bewust of onbewust hebben we allemaal onze hermeneutische principes, de overbruggings- of geldingsprincipes. Deze functioneren dan als criteria aan de hand waarvan we (bewust of meer onbewust) bepalen of en hoe een tekst voor ons vandaag geldt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten