zondag 18 december 2011

Vreemdelingschap (1)

1

Men zegt dat een christen een vreemdeling is. Dat zegt niet zozeer iets over zijn karakter als wel over zijn status. Op aarde hoort hij niet werkelijk thuis, deze wereld is hij vreemd.

Maar eigenlijk zijn alle mensen vreemdelingen op aarde. Zoals ze geboren worden, zijn ze vervreemd van God, en daarmee in zichzelf vreemdelingen. Ze zijn uit het Paradijs, uit de nabijheid van God, verbannen en daarmee ballingen op aarde. Ieder mens die in de wereld komt, komt in de duisternis. Overigens is dat niet Gods schuld, maar de schuld van de mens zelf. De mens heeft zichzelf van God vervreemd, want hij heeft door zijn eigen keuze zich van God verwijderd. Gods veroordeling tot ballingschap is een bevestiging van een door de mens zelf gekozen weg.

Voor het aangezicht van God zijn dus alle mensen vreemd. En de mens is door de zonde niet alleen vervreemd van God, maar ook ten opzichte van de medemens, en ten diepste ook ten opzichte van zichzelf.

Het hart van een mens is arglistig en ongeneeslijk, en wie zal het kennen? (Jer. 17:9). Deze vervreemding ten opzichte van zichzelf openbaart zich erin dat een mens zichzelf niet kan doorgronden, dat hij geen goed zicht heeft op zijn eigen motieven, sterker nog: dat hij geneigd is te rooskleurig te denken over zijn eigen motieven. Het uit zich ook hierin dat hij de waarheid over zijn eigen zondige hart niet meer kent. Niet alleen in kennis uit zich deze vervreemding, ook in houding. Een zondaar staat als een vreemde tegenover zichzelf. Hij is gefragmenteerd, dubbelhartig, geen mens uit een stuk. Hij vertrouwt zichzelf niet. Hij kan vijandig tegenover zichzelf staan. Met wat moderne psychologische taal zouden we kunnen zeggen dat de mens de toegang heeft verloren tot zijn ware zelf.

Dat valt te begrijpen wanneer je bedenkt dat God de schepper is van het zelf of het hart van de mens, en dat dit hart niet goed kan functioneren zonder contact met zijn Maker. De mens is op God aangelegd, op Hem aangeschapen, en de gemeenschap met God is smeerolie voor de ziel. Zonder deze gemeenschap is er onrust in het hart, en gaat de mens dolend over de aarde, op zoek naar goden, mensen, dingen, ervaringen die een vervanging kunnen betekenen voor God zelf. Het inzicht dat dit een belachelijke en tot mislukken gedoemde onderneming is, wordt op z’n minst geëvenaard door het tragische karakter van dit jagen en drijven, dat in zichzelf niets anders is dan afgoderij.

Mensen hebben het levende water van de levende God verlaten, en er iets voor in de plaats genomen dat niet alleen de kwaliteit mist van levend en fris water, maar ook de houdbaarheidsdatum, en het vermogen om werkelijk te verzadigen (Jer. 2:13). Deze afgoden, surrogaatgoden zijn het, zullen nooit het ‘godvormige gat’ in het hart kunnen vervullen; daardoor blijft de mens voortdurend aangewezen op deze bronnen. Tragisch is het dat de mens zich voor zijn geluk en voldoening afhankelijk maakt van bronnen die die afhankelijkheid wel onderhouden, maar niet het geluk en voldoening schenken die de mens verwacht. En toch blijft de mens voortdurend het bij deze bronnen zoeken, elke keer met de hoop dat het geluk erdoor bereikt kan worden. Het manco zit bovendien in zijn eigen hart, dat als een lekke bak is, waar het water van de levensvervulling zo uitlekt. Het hart moet gerepareerd worden. Het tragische is nu dat de mens deze misstand niet onder ogen ziet, maar zich verhardt op deze weg. Hoe verder hij op deze weg gaat, hoe groter het gemis. Hoe groter het gemis, hoe harder hij zijn best doet om met deze middelen zijn geestelijke behoeften te bevredigen. Af en toe zal hij eens van middel wisselen, maar dat verandert in de kern niets aan de toestand.

Alleen God kan de dorst lessen.

Wat ik tot nu toe gezegd heb, valt in twee uitspraken samen te vatten:

  • Elk mens is van nature vreemdeling van (= vervreemd van) God.
  • Deze vervreemding zet zich door naar de omgeving en naar zichzelf.

Geen opmerkingen: