maandag 26 december 2011

Vreemdelingschap (3)

3

Een christen is een vreemdeling op aarde. Omdat hij door het geloof gerechtvaardigd is en tot kind van God is aangenomen is de vervreemding ten opzichte van God in beginsel opgeheven. In beginsel, dat wil zeggen: er blijft een vreemdheid in God, die de Gans Andere is. De afstand is er nog steeds, maar het is geen vijandige afstand meer, geen vijandige vreemdheid. De toegang tot God is vrij door Christus. De gelovige mag steeds ingaan in het heiligdom en zich verdiepen in wat er in God te vinden is: oneindige heerlijkheid en goedheid.

Nu echter er een radicale toewending heeft plaatsgevonden naar God, is er een ook een radicale afkeer van alles wat God vijandig is. En op aarde is er veel dat Gode vijandig is.

We moeten nu een belangrijk onderscheid inbrengen. En dat is tussen aarde/wereld naar haar creatuurlijke zijde en aarde/wereld in haar door de mens verworden toestand. Met de aarde zoals zij door God geschapen is, is niets mis. In de Psalmen wordt deze aarde bezongen.

De aarde is van de HEERE en al wat zij bevat,

de wereld en wie er wonen. – Psalm 24:1

Wereld, als geschapen kosmos, wordt in dit parallellisme als synoniem gebruikt. In de Bijbel worden aarde en wereld wanneer het gaat om hun geschapen dimensie positief gebruikt. Weliswaar is de volmaaktheid beschadigd, want sinds de zondeval is de schepping aan ijdelheid onderworpen (Rom. 8:20).

Echter, de woorden aarde en wereld kunnen in de Schrift ook op een andere manier worden gebruikt, en dat is om het als vijandig terrein aan te duiden. 1 Johannes 2:15-17 is hier een duidelijk voorbeeld van:

15 Heb de wereld niet lief en ook niet wat in de wereld is. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem.

16 Want al wat in de wereld is: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld.

17 En de wereld gaat voorbij met haar begeerte; maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid.

De wereld staat hier diametraal tegenover de Vader. De wereld staat voor het collectief van de zondige en God vijandige mensheid. De mensen zijn tegen God in opstand gekomen. Ze zijn door de zonde en de begeerte geperverteerd; dat is: door en door slecht geworden.

In 1 Joh. 5:19 wordt gezegd dat de wereld in het boze ligt.

19 Wij weten dat wij uit God zijn en dat de hele wereld in het boze ligt.

Het is ook mogelijk om te vertalen: in de boze, wat dan betekent dat de wereld in de macht van de boze, dat is: de duivel, is. Dat is in overeenstemming met Joh. 16:11, waar Jezus de duivel de overste van de wereld noemt.

Een kind van God is iemand die door Jezus wordt ontrukt aan de tegenwoordige slechte wereld, volgens Gal. 1:3-4:

3 genade zij u en vrede van God de Vader en van onze Heere Jezus Christus,

4 Die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons zou ontrukken aan de tegenwoordige slechte wereld, overeenkomstig de wil van onze God en Vader.

Overigens staat daar αἰών en gebruikt Johannes overwegend het woord κόσμος om de wereld aan te duiden. αἰών kan ook worden vertaald met ‘eeuw’, en dan gaat het dus meer over een tijdperk dan over een plaats.

Wanneer we het αἰών van Gal.1:4 als ‘eeuw’ in plaats van ‘wereld’ lezen, dan valt deze tekst beter te begrijpen. Door het werk van Christus is er namelijk een nieuwe eeuw aangebroken. De toekomende eeuw, de eeuw van Gods heilstijd, is met de komst van Christus reeds aangebroken. Deze eeuw breekt als het ware in op de oude eeuw. Tot de tijd dat de nieuwe eeuw definitief doorbreekt, is er sprake van een gelijktijdig naast elkaar bestaan van twee eeuwen: een overlap in aeonen, zogezegd.

Christenen behoren tot de nieuwe eeuw van God, nu al, terwijl de oude eeuw nog heerst in de wereld.

Nog even over Johannes: uit het Hogepriesterlijk gebed van Johannes 17 komen die bekende woorden: in de wereld, niet van de wereld. Als ik het goed lees, gaat het in Johannes 17, met name in de verzen 9-19, om het tweede gebruik van het woord wereld. Jezus is niet slechts naar de geschapen wereld gestuurd, maar naar een vijandige wereld (18). ‘In de wereld zijn’ (13) betekent hier niet slechts ‘op aarde zijn’ maar temidden van de slechte en God vijandige wereld verkeren. Gods zonen zijn niet van de wereld, ze behoren niet bij die wereld; ze bevinden zich op bezet gebied.

‘In de wereld, maar niet van de wereld’, inderdaad. Bijbels spraakgebruik. Als we maar bedenken dat ‘in de wereld’ bij Johannes betekent de zondige en opstandige wereld, de wereld die in het boze ligt. Temidden van díe wereld verkeren de gelovigen. ‘In de wereld zijn’ betekent dus bij Johannes niet zomaar ‘op aarde of in de geschapen wereld verkeren’. Het kan als basisbetekenis daar wel onder liggen, omdat Johannes wel meer dan eens met dubbelzinnig woordgebruik werkt. Maar dan nog is de meest bepalende betekenis ‘in de God vijandige wereld’.

Ik zei al dat christenen - zij die Christus toebehoren - behoren tot de nieuwe eeuw, die Christus heeft laten aanbreken. Hij is zelf door Zijn opstanding door de oude eeuw heengebroken naar de nieuwe eeuw. Hij stond op in een nieuw leven. Christenen zijn mensen die ‘in Christus’ zijn, en als zodanig zijn zij ook met Christus doorgegaan tot het nieuwe leven van de nieuwe eeuw. Ze zijn mensen die zijn

… gered uit de macht van de duisternis en [ons] overgebracht naar het rijk van zijn geliefde Zoon

- Kol. 1:13

Ze maken dus deel uit van een ander rijk. Ontrukt aan de macht van de duisternis zijn ze burgers geworden van het rijk van Gods Zoon. In dat rijk is Christus Koning. Bij een christen heeft dus een radicale verandering plaatsgevonden. Hij is van veraf dichtbij geworden, en van een persoon die in de macht van de duivel was (Kol.1:13; Ef. 2:1-3) is hij een persoon geworden die onder de genadige heerschappij van Christus is komen te staan. Een stap die zo groot is als van de duisternis naar het licht. En deze overplaatsing heeft nu al plaatsgevonden.

Dit betekent dus dat de christen, terwijl hij nog op aarde en op de geschapen wereld verkeert, en te midden van de vijandige en zondige wereld verblijft, reeds deel uitmaakt van een andere eeuw, van een andere wereld, van een ander rijk: het rijk van Gods Zoon.

Dat maakt dat de christen eigenlijk een vreemdeling is. Deze grondhouding is niet voorbehouden aan gelovigen uit het Nieuwe Testament. Ook de dichter van Psalm 119 identificeerde zich met die term:

19 Ik ben een vreemdeling op de aarde,

verberg Uw geboden niet voor mij.

En de gelovigen uit het Oude Testament worden in Hebreeën 11:13 indirect geciteerd, namelijk dat zij ‘hebben beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren.’ Zij verlangden naar een beter, namelijk een hemels vaderland (Hebr. 11:16). Dat uitzien is gebaseerd op de beloften: door God was hen een stad beloofd, een vaste en betrouwbare verblijfplaats.

Een christen is een vreemdeling op aarde. Dat betekent dat de aarde zijn vaderland niet is. Hij ziet uit naar en is op weg naar een ander, beter vaderland.

Hij voelt zich in het diepst van zijn hart niet thuis op aarde.

Bovendien ervaart hij zijn omgeving als vreemd, want vreemd aan God. Bij hemzelf is de vervreemding ten opzichte van God ten principale opgeheven, bij zijn ongelovige omgeving is dat anders. Juist omdat hij zelf geen vreemdeling meer is voor God, is hij een vreemde voor de anderen, en ervaart hij anderen als vreemd.

Wie zich thuisvoelt bij God, zal deze wereld bevreemden.

Wie nog een vreemdeling is van God, staat ook vreemd tegenover Zijn kinderen.

Wie vervreemd is van God, zal vreemd doen tegen Zijn volgelingen; juist dit wordt onderdeel van hun ballingschap: verkeren temidden van mensen die niets van God willen/moeten weten.

Een vreemdeling zijn op aarde. Dat is niet omdat de aarde de aarde is, in haar geschapen dimensie. Het is niet omdat de aarde niet van God is. Het is wel omdat op die aarde mensen wonen die deze aarde als een wijngaard pachten, en hem uit de handen van de heer van de wijngaard willen houden. Zij maken deze aarde vreemd. Zij maken dat Gods aarde vreemd aanvoelt voor degenen die van God zijn.

De tweede oorzaak achter het vreemde gevoel van de christen-vreemdeling, is dat hij weet dat zijn eigenlijke thuis boven is. Nu is boven een lastige term. Ermee bedoeld wordt de hemel. En in de hemel is God. Het eigenlijke thuis van de gelovige is bij God. Maar… God doet straks het nieuwe Jeruzalem uit de hemel neerdalen, op de aarde! En God zal zelf in die stad komen wonen. Hij zal het licht zijn, en de tempel van die stad. Als eeuwig leven betekent eeuwig bij God leven, dan betekent dat dus bij God wonen in het nieuwe Jeruzalem op de nieuwe aarde. Het is dus niet zo dat zij in de hemel zullen wonen. Op weg zijn naar boven wil dus eigenlijk zeggen op weg zijn naar God op de nieuwe aarde. Dat betekent dus dat niet de aarde als zodanig tegenover de hemel staat, maar dat de oude aarde tegenover de vernieuwde aarde staat. De ervaring van het vreemdelingzijn betreft dus de oude aarde, en wordt straks, na het herstel van alle dingen, opgeheven wanneer de gelovige bij God komt op de nieuwe aarde. Met deze kanttekening dat de gelovige al eerder bij God kan komen, wanneer hij sterft, in de hemel.

De ervaring van vreemdheid betreft dus niet zozeer de plaats (de aarde) als wel wat daarmee aan de hand is: ze wordt bewoond door vijandige mensen, die God afwijzen; en wat daaraan ontbreekt: de volledige aanwezigheid van Gods heerlijkheid, majesteit en heerschappij. Gods Stad is nog niet op deze wereld gebouwd. Een christen ziet reikhalzend uit naar die nieuwe wereld, en voelt zich intussen in den vreemde, omdat hij Gods beloofde Stad mist. De Stad met Fundamenten.

Het zojuist geschrevene valt in deze zinnen samen te vatten:

- Een christen is een vreemdeling op aarde. Hij is vreemd aan mensen die zonder God leven.

- Bovendien is hij niet thuis bij God, in de Stad van God. Terwijl hij uitziet naar die Stad, voelt hij zich nog niet thuis.

- Duidelijk wordt dat de vreemdelingschap van de christen niet is gericht tegen de aarde als zodanig, maar er hierin ligt dat op deze aarde vijanden van God wonen, en God deze aarde nog niet heeft vernieuwd en Zijn heerlijkheid er ten volle op manifesteert.

Geen opmerkingen: