2
Wanneer de mens in God zijn volle verzadiging leert vinden, ondervindt hij dat al die andere manieren van dorst lessen vreselijk ontoereikend waren. Surrogaat van de bovenste plank. Hij gaat ze verfoeien. Hij vindt alleen in God zijn heil, zijn geluk, zijn blijdschap, zijn vervulling, zijn doel. Hij vindt al deze dingen in de weg van de verzoening.
Bij wie met God verzoend raakt, is de vervreemding met God opgeheven. Hij heeft door het geloof vrede met God en een geopende toegang (Rom. 5:1-2).
De vervreemding is opgeheven. Een mens die vreemdeling was van God, is nu geen vreemde meer. En andersom: God is geen vreemde meer voor degene die in Hem gelooft. Een gelovige kan zich herkennen in Abraham die Gods vriend wordt genoemd en voor wie God Zichzelf en Zijn raad niet verborgen wil houden (Gen. 18:17; Jak. 2:23).
Dit wil niet zeggen dat er voor een gelovige geen geheimen meer zijn in God. Of dat de eerbiedige afstand tot God is opgeheven. God is niet een maatje geworden op gelijk niveau.
Maar dat de vervreemding is opgeheven betekent wel dat de status van de mens die gelooft, is veranderd van ‘vijand’ (Rom. 5:10) in ‘vriend’ (Joh. 15:15), van een burger van het rijk van de duisternis in een burger van het rijk van het licht (Kol. 1:13). Hij verandert van iemand die buiten de genade stond in iemand die in of binnen de genade vast mag staan, iemand onder wiens leven genade het fundament is geworden (Rom. 5:2). Hij verandert van iemand die veraf stond in iemand die dankzij het bloed van Christus nabij gekomen is (Ef. 2:12-13). Er heeft een fundamentele verschuiving plaatsgevonden in positie. De vervreemding is opgeheven, de nu gelovige heeft ook het burgerrecht verkregen, en mag delen in de zegeningen van het verbond van de belofte, mag ook delen in het eeuwige leven.
En het mooie is dat het eeuwige leven reeds op aarde begint, in dit leven. Het eeuwige leven is namelijk in de kern om God te kennen en Zijn Zoon Jezus Christus (Joh. 17:3). Eeuwig leven is niet allereerst een leven in de hemel, op een mooie plek, vol gelukzaligheid en allerlei andere sublieme ervaringen die nooit ophouden. Eeuwig leven draait om omgang met een Persoon, de Persoon van God. God laat dat eeuwige leven nu al beginnen. Wij wonen reeds bij God in, en God woont reeds bij ons in, door Zijn Heilige Geest. Dat deze gemeenschap of omgang nog allemaal niet compleet, volmaakt en ononderbroken is, laat onverlet dat God vandaag, hier en nu, in dit aardse leven bij ons woont, ja, in ons vertoeft (Joh. 14:17). Hij is werkelijk een God van nabij, want Hij heeft ons niet als wezen achtergelaten, maar heeft de Heilige Geest gestuurd. Deze Parakleet, als een erbij geroepene die ons bij staat, staat ons na aan het hart. Hij is Iemand die ons kent, want Hij doorzoekt onze harten (Rom. 8:27), ja Hij is daar zelf aanwezig. Ons hart is dus geen vreemd terrein meer, geen niemandsland van een van God vervreemd mens, maar bekend en gekend terrein.
Voor God door en door bekend terrein, voor ons herbergt het nog vele raadsels. De vervreemding ten opzichte van onszelf, waartoe wij als verlorenen waren overgeven, is niet zomaar opgeheven.
Maar het is God die ons door Zijn Geest, die de harten doorzoekt, steeds meer gaat openbaren wie wij zijn. En voorzover wij op een vreemde en destructieve manier met onszelf omgaan via verkeerde gewoonten of een negatieve attitude, leidt Hij ons door Zijn raad en zachte hand om ons op Zijn weg te brengen, alwaar Zijn oog op ons zal zijn (Ps. 32:8). God wil de vervreemding ten opzichte van onszelf opheffen. En de vervreemding ten opzichte van de naaste.
Het tegenovergestelde van vervreemding is harmonie en vrede. Van iemand of iets vervreemd zijn betekent niet alleen maar dat je er geen kennis meer van hebt, maar ook dat de vertrouwdheid en harmonie verdwenen is. Het kan zelfs vijandschap betekenen tegenover die ander, en destructief gedrag ten opzichte van hem. Met andere woorden: mensen van God vervreemd zijn niet slechts mensen die God niet kennen, maar het zijn ook vijanden van God. En dat mensen van elkaar vervreemd zijn, betekent niet slechts dat zij elkaar niet meer zo goed kennen als dat zij elkaar zouden kunnen kennen, maar ook dat er een mate van vijandigheid tussen hen heerst. Ten diepste gunt men het licht in elkaars ogen niet.
Door genade wordt ook deze vervreemding langzamerhand opgeheven. Gods Geest wijst de obstakels aan die wij opwerpen tegenover anderen, en wij mogen ze onder Zijn zachte aandrang uit de weg helpen. Wij leren onszelf openen voor anderen. Gods Koninkrijksdoel is dat er gemeenschap en omgang is tussen God en de mensen, maar ook tussen de mensen onderling. Gemeenschap betekent dat er vertrouwelijk met elkaar wordt omgegaan, dat je elkaar steeds meer leert kennen. Zonder openheid is dat niet te bereiken. Gods Geest opent ons hart, dat wij vanuit onszelf zo krampachtig gesloten houden.
Deze laatste paragraaf is in één uitspraak samen te vatten:
- Bij een christen is de vervreemding ten opzichte van God, zijn omgeving en zichzelf in beginsel opgeheven.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten