vrijdag 30 december 2011

Vreemdelingschap (4)

4

Deze vreemdelingschap kunnen we nu verder bekijken in de Bijbel.

Reeds Abraham was een vreemdeling. Hij verliet immers zijn eigen land en clan, om naar een nieuw land te gaan, wat hij ten erfdeel zou ontvangen. Dat land was voor hem het beloofde land. Toch heeft hij zijn hele leven daar gewoond als een gast en vreemdeling, zonder het daadwerkelijk te bezitten (Hebr. 11:9). Hij was er een nomade, en geen gevestigde stadbewoner.

Genesis 15:8 laat zien dat Abraham, hoewel inwoner van Kanaän, er toch niet de bezitter van is, want hij vraagt aan God hoe hij er zeker van kan zijn dat hij het in bezit zal krijgen.

En in Genesis 17:8 staat het nog duidelijker:

Ik zal aan u en uw nageslacht na u het land waar u vreemdeling bent, heel het land Kanaän, als eeuwig bezit geven. Ik zal hun tot een God zijn.

Op dat moment is Abraham namelijk al in Kanaän, en verblijft hij daar. En toch zegt God dat Hij hem het land nog gaat geven.

Abraham woonde als vreemdeling in Gerar (20:1) bij de Filistijnen (Gen. 21:34) en de Hethieten (23:4). Het stuk grond wat hij met het oog op het begraven van de Hethieten had gekocht, kon hij zijn eigendom noemen. We kunnen dus wel concluderen dat er een spanning bestaat tussen de uitspraak dat God hem het land had gegeven (Gen. 28:4), en de toezegging dat hij het in werkelijk in bezit zou krijgen (15:8).

Ook van Izaäk en Jakob wordt gezegd dat zij het land als vreemdeling bewoonden (26:3; 28:4; 37:1).

Opvallend is de tekst waarin Jakob zijn leeftijd gelijkstelt aan het aantal jaren van zijn vreemdelingschap.

Jakob zei tegen de farao: Het aantal van de jaren van mijn vreemdelingschap is honderddertig jaar. Weinig in getal en vol kwaad zijn mijn levensjaren geweest, en zij hebben het aantal van de levensjaren van mijn vaderen in de dagen van hun vreemdelingschap nog niet eens bereikt.

- Gen. 47:9

De NBV geeft dit vers als volgt weer:

en Jakob antwoordde: ‘Honderddertig jaar heb ik nu op aarde rondgezworven. Mijn leven, dat ellendig is geweest, heeft nog maar kort geduurd, ik heb nog niet zo lang op aarde rondgezworven als mijn voorouders.’

Daarmee typeert hij dus zijn hele leven als vreemdelingschap. Dat is: hij is zijn hele leven in den vreemde geweest; nergens heeft hij zijn ware thuis gevonden. Het werkelijke thuis verwachtte hij nog.

De nakomelingen van Jakob hebben ook als vreemdeling in Egypte verkeerd. Dat was reeds aan Abram voorzegd (Gen. 15:13). Vierhonderd jaar hebben zij in den vreemde verkeerd, over het algemeen in onderdrukking, tot zij door God uit hun vreemdelingschap werden bevrijd, en werden geleid naar het land dat hun voorvaderen reeds was beloofd.

Het is frappant hoe vaak er in de wetgeving van Israël wordt teruggegrepen op de eigen ervaring van het vreemdelingzijn in Egypte, wanneer het verbondsvolk wordt verboden om de vreemdeling uit te buiten en te onderdrukken. Exodus 23:9 zegt het bijvoorbeeld zo

U mag de vreemdeling niet onderdrukken, want u kent zelf de gesteldheid van de vreemdeling, omdat u zelf vreemdeling geweest bent in het land Egypte.

Zie ook Ex. 22:21, Lev. 19:33-34, Deut. 10:19. Verwezen wordt naar de subjectieve ervaring van Israël zelf. Het valt voor te stellen dat naarmate men verder van deze ervaring af kwam te staan, ook de neiging om zich met de vreemdeling te identificeren zou verzwakken. Mede daarom is de viering van Pesach functioneel: als gedachtenismaaltijd aan de tijd dat men zelf onderdrukt was in Egypte. Pesach heeft dus ook een uitstraling naar de vreemdelingen die op dat moment de Israëlieten omringen.

Wanneer Israël na veel omzwervingen en veroveringen zich het land mag toe-eigenen,

kan men zeggen dat ze het als erfdeel in bezit hadden gekregen (zie bijv. Deut. 12:10).

Men verkeerde niet meer als vreemdelingen in Kanaän, zoals Abraham, Izaäk en Jakob wel hadden gedaan. Toch staat er in de Torah een opvallende tekst, die de wacht toezegt aan een houding van ‘dit land is van ons’.

Een opvallende tekst: Leviticus 25:23 over het bezit van het land.

Verder mag het land niet voor altijd verkocht worden, want het land behoort Mij toe. U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij.

- Lev. 25:23

Eigenlijk zegt God hier: weet dat het land van Mij is. Je bent te gast op Mijn land. Verlies dat perspectief nooit uit het oog.

Dit is het antidotum tegen jezelf hechten aan het land; tegen het misbruik ervan; tegen egoïstisch met de opbrengst ervan omgaan; tegen het ontzeggen van de toegang aan anderen. De wetenschap dat het land – en ten diepste alles op deze wereld – van God is, Hem rechtens toebehoort, maakt vrij. Het maakt vrij van de houding om te willen beheersen, te willen uitbuiten, want het is niet van mij. God geeft het mij, om te gebruiken, te genieten en om te delen.

Zo maakt het besef van vreemdelingschap (we zijn hier vreemdelingen op deze aardbodem, we zijn gasten bij God) ons vrij om goed te doen aan anderen.

Geen opmerkingen: